Terug
Gepubliceerd op 11/02/2026

Besluit  vast bureau

wo 04/02/2026 - 18:30

Deontologische code van het vast bureau: vaststellen

Aanwezig: Luc Derudder, Olivier De Marez, Carine Geldhof, Jonas Van D'huynslager, Ilse Vervaeck, Carl Vereecke

Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.

Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de raad voor maatschappelijk welzijn.

Op 7 januari 2026 heeft het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau een afsprakennota ""SAMEN DENKEN WERKEN van het politiek & ambtelijk management" goedgekeurd, waarin het belang van een deontologische code voor het bestuur en voor het personeel werd onderstreept.

Ingevolge het decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad, zijn alle lokale besturen in Vlaanderen verplicht om een deontologische commissie op te richten.

De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn richten elk een eigen deontologische commissie in.

De deontologische commissie voor de gemeenteraad is bevoegd voor:

  • de gemeenteraadsleden;
  • de voorzitter van de gemeenteraad;
  • de schepenen;
  • de burgemeester.

De deontologische commissie voor de raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd voor:

  • de OCMW-raadsleden;
  • de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;
  • de voorzitter en de leden van het vast bureau;
  • de voorzitter en de leden van het bijzonder comité voor de sociale dienst.

De samenstelling van de deontologische commissie van het gemeenteraad kan gelijkaardig of identiek zijn aan de samenstelling van de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn.

De deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd voor de toepassing van de deontologische code van het vast bureau.

De deontologische code regelt de samenstelling, de werking en de bevoegdheid van de deontologische commissie

niet van toepassing

Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van decreet van 24 oktober 2025 wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit. 

Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad.

Besluit van 4 april 2019 van de raad voor maatschappelijk welzijn betreffende deontologische code van de raad voor maatschappelijk welzijn: vaststellen.

Besluit van 25 april 2019 van het vast bureau betreffende de deontologische code van het vast bureau: vaststellen.

Artikel 1

Het vast bureau heft het Besluit van 25 april 2019 van het vast bureau betreffende de deontologische code van het vast bureau: vaststellen op met ingang van 5 februari 2026.

Artikel 2

Het vast bureau keurt volgende deontologische code goed met ingang van 5 februari 2026:

deontologische code
het vast bureau

Inhoudsopgave

    1. Voorkomen van (de schijn van) belangenvermenging en cliëntelisme.
    2. Tegengaan van oneigenlijke beïnvloeding en de schijn ervan.
    3. Verantwoord gebruik van faciliteiten en middel van het lokaal bestuur.
    4. Zorgvuldige omgang met informatie.
    5. Respectvolle omgang met anderen.
    6. Het voorkomen van mogelijke schendingen.
    7. Het signaleren van vermoedens van schendingen van de deontologische code.
    8. Het duiden en onderzoeken van vermoedens van schendingen van de deontologische code.
    9. Het zich uitspreken over schendingen van de deontologische code.
    10. Het evalueren van de deontologische code.

1. Voorkomen van (de schijn van) belangenvermenging en cliëntelisme

1.1.
Een lid van het vast bureau staat in al zijn of haar handelen, in het besluitvormingsproces en in het contact met burgers, steeds in dienst van het algemeen belang.

1.2.
Een lid van het vast bureau gaat actief en uit zichzelf alle vormen van belangenvermenging (en de schijn ervan) tegen.

Dit betekent dat:

    • een lid van het vast bureau de (in de regelgeving bepaalde) met het ambt onverenigbare functies niet vervult en erover waakt geen verboden handelingen uit te voeren of verboden overeenkomsten aan te gaan;
    • een lid van het vast bureau, die deelneemt aan een bespreking en stemming, het proces van besluitvorming in één of een andere fase van de besluitvorming niet probeert in zijn of haar voordeel te beïnvloeden wanneer er sprake is van een beslissing, waarbij (mogelijke) belangenvermenging speelt;

1.3.
Een lid van het vast bureau vervult de rol van aanspreekpunt en informatiebemiddelaar voor de burger steeds op neutrale basis, zonder persoonlijke bevoordeling van één of meerdere burgers in een dossier, dan wel het wekken van de schijn daarvan.

1.4.
Ter voorkoming van overschrijding van de onder 1.1 en 1.2 beschreven normen, engageren alle leden van het vast bureau zich tot het aanleveren, en up-to-date houden van de volgende gegevens bij de algemeen directeur:

    • een lijst van alle betaalde en onbetaalde mandaten en bestuurlijke nevenfuncties;
    • een lijst, waarin zijn opgenomen: de substantiële financiële belangen (bijvoorbeeld aandelen of opties) in een onderneming, waarmee het OCMW zaken doet of waarin het OCMW een belang heeft.

De leden van het vast bureau kunnen op eenvoudig verzoek bij de algemeen directeur inzage bekomen van deze lijsten.

1.5.
Ter voorkoming van overschrijding van de norm beschreven onder 1.3 zorgt de algemeen directeur ervoor dat dossier-behandelende personeelsleden alle tussenkomsten opnemen in het desbetreffende administratieve dossier.

Louter informatieve vragen of vragen/tussenkomsten van uitvoerende mandatarissen in het kader van hun functionele en hiërarchische relaties met de behandelende personeelsleden of diensten, vallen daarbuiten.

2. Tegengaan van oneigenlijke beïnvloeding en de schijn ervan

2.1.
Een lid van het vast bureau mag zijn of haar invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door, noch aanbieden voor geld, goederen, diensten of andere gunsten, die hem gegeven of beloofd werden.

2.2.
Een lid van het vast bureau moet actief en uit zichzelf de schijn van beïnvloeding en partijdigheid tegengaan.

2.3.
De mandataris doet dit door:

    • geen geschenken, diensten of andere voordelen te aanvaarden, behalve zaken, die van een geringe geldwaarde zijn (zoals een bloemetje) en waarbij het beeld van beïnvloeding minimaal is;
    • niet in te gaan op uitnodigingen betaald door anderen, behalve als deze direct relevant zijn voor de goede invulling van het ambt, functioneel zijn opgezet en van (relatief) beperkte waarde zijn.

Bovendien houdt het lid van het vast bureau rekening met de timing en context, waarbinnen de uitnodiging wordt gedaan, met het doel de schijn van beïnvloeding te minimaliseren.

2.4.
Het geven van geschenken aan, dan wel het uitnodigen van derden gebeurt nooit in eigen naam, maar altijd in naam van het OCMW. 

Daarbij zal men er steeds waakzaam voor zijn alle vormen van partijdigheid, bevoordeling en/of uitsluiting te vermijden.

2.5.
Ter bevordering van de transparantie en het voorkomen van enige schijn van beïnvloeding spreken de mandatarissen onderling af dat:

    • geschenken met een meer dan geringe geldwaarde, die toch bij een mandataris in het bezit komen, worden gemeld aan de algemeen directeur.
      De mandataris meldt het hoe dan ook wanneer een geschenk op het thuisadres werd afgeleverd.
      De algemeen directeur registreert de giften en geeft ze in alle transparantie een bestemming binnen het OCMW.
      Buitensporige geschenken worden alsnog teruggestuurd;
    • uitnodigingen, die bestemd zijn voor het vast bureau, worden door het vast bureau beoordeeld.
      Het is het voltallige vast bureau, die de uitnodiging accepteert dan wel afwijst.

3. Verantwoord gebruik van faciliteiten en middelen van het lokaal bestuur

3.1.
Een lid van het vast bureau gebruikt de voorzieningen en eigendommen van het lokaal bestuur niet voor privé doeleinden.

3.2.
Leden van het vast bureau gaan verantwoord en op sobere wijze om met publieke middelen en vergoedingen, die tot hun beschikking staan.

3.3.
Leden van het vast bureau, die gebruik maken van de onkostenvergoedingen, leggen hierover op een transparantie wijze en volgens de afgesproken procedure verantwoording af.

3.4.
De algemeen directeur, of een hiervoor aangestelde medewerker, rapporteert jaarlijks over de gedeclareerde onkostenvergoedingen aan de raad voor maatschappelijk welzijn.

4. Zorgvuldige omgang met informatie

4.1.
Een lid van het vast bureau bewaakt het geheime karakter en de vertrouwelijkheid van informatie.

Dit betekent dat een lid van het vast bureau:

    • het beroepsgeheim eerbiedigt wanneer hij of zij kennis neemt van geheime informatie;
    • zich gebonden weet door de geheimhoudingsplicht voor de feiten, meningen en overwegingen gedeeld tijdens een besloten vergadering.

Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer de wet openbaarheid voorschrijft.

4.2.
Leden van het vast bureau gaan discreet en voorzichtig om met de informatie, waartoe zij toegang hebben.

Dit houdt onder andere in dat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn:

    • over (nog) niet openbaar gemaakte of nog te maken informatie niet communiceert;
    • feiten en omstandigheden ten aanzien van derden in de juiste context plaatst.

4.3.
Leden van het vast bureau gebruiken de informatie, waartoe zij toegang hebben vanuit hun ambt, nooit voor het eigen belang of voor het persoonlijke of zakelijke belang van derden.

4.4.
Leden van het vast bureau zijn open en eerlijk over de redenen en inzichten op basis waarvan zij hun stem uitbrengen.

4.5.
Voor de eenduidigheid en transparantie over informatieaanvraag, -ontvangst en -deling spreken de leden van het vast bureau af dat:

    • communicatie, die verband houdt met de concrete afhandeling van dossiers, steeds via hun officieel e-mailadres verloopt.
      Deze communicatie wordt ingeschreven in het register van het OCMW;
    • de beroepen op het inzagerecht door een mandataris steeds worden vermeld in een apart register, zodat het voor alle leden van het vast bureau helder is welke informatie is gevraagd en is verleend.

5. Respectvolle omgang met anderen

5.1.
Alle leden van de gaan op respectvolle wijze om met elkaar, de algemeen directeur en andere personeelsleden, evenals met de burgers, in woord, gebaar en geschrift.

5.2.
Leden van het vast bureau zaaien geen twijfel over elkaars integriteit.

Zij erkennen en bevestigen elkaar actief in hun streven naar het dienen van het algemeen belang vanuit hun ambt, rol en politieke kleur.

5.3.
Leden van het vast bureau onthouden zich in het openbaar, dus ook in openbare raads- en commissievergaderingen, van negatieve uitlatingen over individuele personeelseden.

5.4.
Een lid van het vast bureau staat op dezelfde gewetensvolle manier ten dienste van alle burgers, zonder onderscheid van geslacht, geaardheid, huidskleur, afstamming, sociale stand, nationaliteit, filosofische en/of religieuze overtuiging, ideologische voorkeur of persoonlijke gevoelens.

5.5.
Bij onenigheid in de onderlinge omgang of de gang van zaken tijdens of buiten vergaderingen gaan de leden van het vast bureau, eventueel onder begeleiding, in eerste instantie het gesprek aan met elkaar.

6. Het voorkomen van mogelijke schendingen

6.1.
Wanneer een lid van het vast bureau twijfelt of een eigen handeling een overtreding van de code zou kunnen zijn, moet dit discreet bespreekbaar gemaakt kunnen worden.

Dit kan zijn binnen de eigen fractie, met een collega, lid van het vast bureau, of met de algemeen directeur.

6.2.
Wanneer een lid van het vast bureau twijfelt over een nog niet uitgevoerde handeling van een andere lid van het vast bureau, dan waarschuwt hij of zij die persoon, eventueel met het advies om informatie in te winnen bij de algemeen directeur.

7. Het signaleren van vermoedens van schendingen van de deontologische code

7.1.
Wanneer een lid van het vast bureau eraan twijfelt of een regel van de deontologische code is overtreden door een ander lid van het vast bureau, kan hij of zij dit bij voorkeur aankaarten bij zijn collega, lid van het vast bureau in kwestie.

Indien er goede redenen zijn om dit niet te doen, dan kan het lid van het vast bureau de kwestie voorleggen aan de algemeen directeur.

Al dan niet na een gesprek met de algemeen directeur, kan het lid van het vast bureau overgaan tot een formele melding bij de voorzitter van de deontologische commissie.

Vanaf dit moment start het formele handhavingsproces onder mandaat van de deontologische commissie.

7.2.
De volgende personen kunnen een melding van een schending van de deontologische code doen bij de deontologische commissie:

    • alle leden van het vast bureau van het OCMW;
    • de algemeen directeur, indien de algemeen directeur zelf een vermoeden van een schending heeft, dan wel in naam van een personeelslid van het OCMW.

8. Het duiden en onderzoeken van vermoedens van schendingen van de deontologische code

8.1.  
Het vast bureau stelt een deontologische code op de voor het vast bureau.

Het doel van de deontologische commissie is eerst en vooral het bevorderen van het zelfcorrigerend vermogen van het OCMW. 

In de deontologische code worden de volgende zaken vastgelegd over de deontologische commissie:

    • samenstelling;
    • bevoegdheid;
    • werking.

samenstelling:

      • Het aantal leden van de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn bedraagt:
        • één per fractie van één tot 6 leden, die zetelen in de raad voor maatschappelijk welzijn;
        • twee per fractie van 7 tot 12 leden, die zetelen in de raad voor maatschappelijk welzijn;
        • en evenveel als het aantal fracties in de raad voor maatschappelijk welzijn;
        • aangevuld met de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, die wordt toegevoegd als voorzitter van de deontologische commissie.
      • Bij aanmelding van meer dan één fractielid voor een fractie, die zetelt in de raad voor maatschappelijk welzijn, beslist de raad welk fractielid zal zetelen in de deontologische commissie.
      • Onafhankelijke raadsleden zijn geen lid van een fractie en zijn niet vertegenwoordigd in de deontologische commissie; 
      • Iedere fractie draagt in een te volgen rangorde één of meer plaatsvervangers voor, in geval een lid van de deontologische commissie afwezig is of betrokken is bij een voorliggende zaak.
        • Gaat het om een mogelijke schending van de code door een lid van de bevoegde deontologische commissie, dan wordt tijdens de hele procedure daarover het lid vervangen door een plaatsvervanger in de volgorde, waarin ze door de fractie werden voorgedragen;
        • Gaat het om een mogelijke schending van de code door de voorzitter van de bevoegde deontologische commissie, dan wordt tijdens de hele procedure daarover de voorzitter vervangen conform de procedure beschreven in het artikel 7 § 5, derde lid, 1° en 2°, en van het artikel 69, eerste lid van het decreet over het lokaal bestuur;
      • De leden van de deontologische commissie zijn leden van de raad van maatschappelijk welzijn uit het eigen OCMW.
      • Alleen in het geval van een eenmansfractie kan deze fractie overgaan tot het selecteren van een gemeenteraadslid van een andere fractie dan wel een niet-raadslid, bij voorkeur een raadslid van het Bijzonder Comité voor de Sociale Dienst;
      • De leden van de deontologische commissie leggen een vertrouwelijkheids- en neutraliteitsverklaring af;
      • De deontologische commissie kan externe expertise inroepen wanneer dit nodig wordt geacht.
      • De inschatting of dit nodig is wordt bij de algemeen directeur gelegd, die hierin zelfstandig kan handelen;
      • De algemeen directeur vervult de rol van secretaris in de deontologische commissie en voert onder mandaat van de commissie de ontvankelijkheidstoets en het vooronderzoek uit, mogelijk ondersteund door interne en/of externe specialisten;
      • Wanneer de algemeen directeur zelf betrokken is bij een melding, dan wel om legitieme redenen geen rol kan spelen in het proces, zal deze worden vervangen door het daartoe aangewezen personeelslid.
      • Het vooronderzoek kan indien noodzakelijk en wenselijk ook extern worden gevoerd.

bevoegdheid:

      • Het geven van adviezen en aanbevelingen aan de raad voor maatschappelijk welzijn of aan het vast bureau over de inhoud van deze code met het oog op het bijsturen ervan of op de toepassing van de code op een voorliggend probleem;
      • Het opmaken van een jaarlijks verslag ter voorbereiding op de evaluatie van de deontologische code door de raad voor maatschappelijk welzijn;
      • Het eventueel ontplooien van initiatieven en opleidingen ter sensibilisering op thema’s rondom integriteit, deontologie en de deontologische code;
      • Het zelf uitvoeren, dan wel mandateren, van de voorgeschreven stappen in het proces, van melding tot en met afronding van een melding van een vermoeden van schending van de code.;
      • Het formuleren van een gemotiveerd advies aan de raad voor maatschappelijk welzijn of aan het vast bureau over het vermoeden van een schending van deze code door een lid van de raad van maatschappelijk welzijn.

werking:

      • De commissie vergadert één keer per jaar;
      • De voorzitter van de deontologische commissie is verantwoordelijk voor de oproeping en stelt de agenda op;
      • De voorzitter roept de commissie in ieder geval bijeen wanneer dat nodig is conform artikel 8.5. van deze code;
      • De raad voor maatschappelijk welzijn stelt desgevallend een huishoudelijk reglement van de deontologische commissie op, waarin de praktische afspraken over het functioneren van de commissie worden vastgelegd;
      • De commissie streeft naar unanimiteit in haar oordeel.  Als dit niet mogelijk blijkt, zal er hoofdelijk worden gestemd.
      • Een simpele meerderheid volstaat dan;
      • De voorzitter van de commissie heeft geen stemrecht in de deontologische commissie, behalve wanneer de commissie gelijk verdeeld is in haar oordeel.  Dan heeft de voorzitter de doorslaggevende stem;
      • De vergaderingen van de deontologische commissie zijn niet openbaar;
      • Eventuele communicatie vanuit de deontologische commissie vindt altijd en alleen plaats via de voorzitter van de commissie.

8.2.
De deontologische commissie mandateert de algemeen directeur om een ontvankelijkheidstoets uit te voeren.

De algemeen directeur kan daarin bijgestaan worden door interne en/of externe experten.

Om de ontvankelijkheid te onderzoeken zal een gesprek plaatsvinden met de melder.

Een melding is ontvankelijk wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: 

    • De melder betreft een individueel (zittend) lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of van het vast bureau;
    • Het staat vast dat het gaat om een vermoedelijke schending van de deontologische code (en niet bijvoorbeeld om een schending binnen de privé-sfeer);
    • De melding is voldoende betrouwbaar en concreet (er wordt gekeken naar de kwaliteit van de bronnen en de feitelijkheid van de melding);
    • De melding moet is in alle redelijkheid onderzocht kunnen worden en/of heeft onderzoek nodig (1).

(1)
Niet alle vermoedens kunnen onderzocht worden of vragen om onderzoek – denk aan een schending van artikel 5 (interpersoonlijke schendingen), waarbij geen getuigen van het voorval aanwezig zijn).

Iedere melding wordt vertrouwelijk behandeld.

In deze fase is de naam van de melder en degene over wie de melding gaat slechts bekend bij de leden van de deontologische commissie en bij de eventueel door de algemeen directeur aangestelde experten.

8.3.
De algemeen directeur formuleert een ontvankelijkheidsadvies en stuurt dit, inclusief de onderliggende stukken, die deel uitmaken van het advies, aan de leden van de bevoegde deontologische commissie ter beoordeling.

Indien de leden van de deontologische commissie niet binnen de vijf werkdagen bezwaar maken op het advies, dan wordt het advies over de ontvankelijkheid formeel omgezet in een beslissing van de deontologische commissie, als uiteindelijk verantwoordelijke voor de beslissing.

Indien één lid bewaar aantekent tegen het advies van de algemeen directeur, zal de bevoegde deontologische commissie bijeenkomen voor de bespreking van het advies.

Wanneer het advies luidt dat een melding ontvankelijks is, neemt de algemeen directeur de onderzoeksvraag op in het advies van de deontologische commissie.

Wanneer een melding niet-ontvankelijk is, betekent dit meteen het einde van de formele procedure.

De melder wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de algemeen directeur, in naam van de bevoegde deontologische commissie.

Een melder kan een melding ook zelf intrekken.

Wanneer de melding uitsluitend te maken heeft met de onderlinge relatie tussen 2 of meer personen, betekent dit in principe het einde van de formele procedure.

Bij een schending van de andere gedragsregels (bijvoorbeeld belangenvermenging) zal de formele procedure blijven lopen.

De melding is in dat geval niet (meer) gebonden aan degene, die de melding doet.

8.4.
Bij een ontvankelijke melding start de algemeen directeur, onder mandaat van de bevoegde deontologische commissie, een vooronderzoek.

De algemeen directeur kan zich hierbij door interne en/of externe experten bij laten staan.

De vermeende schender wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van het vooronderzoek door de algemeen directeur, behalve wanneer de bevoegde deontologische commissie acht dat dit het vooronderzoek kan schaden.

De vermeende schender wordt erop gewezen dat deze zich tijdens het proces mag laten bijstaan door een raadsman naar keuze.

De commissie bepaalt waaruit het vooronderzoek zal bestaan.

Het vooronderzoek bestaat in ieder geval uit:

    1. het in kaart brengen van de feitelijke situatie waarop de melding van toepassing is;
    2. het nagaan van de beschikbaarheid van relevante (administratieve en feitelijke) informatie;
    3. het nagaan van de relevante regelgeving;
    4. het gesprek met de vermeende schender, behalve wanneer dit het vooronderzoek kan schaden.

8.5.
De algemeen directeur brengt schriftelijk advies uit aan de bevoegde deontologische commissie op basis van het vooronderzoek.

Het conceptadvies wordt eerst ter lezing voorgelegd aan de voorzitter van de bevoegde deontologische commissie.

Vervolgens wordt het concept ter inzage voorgelegd aan de vermeende schender, zodat deze de kans heeft schriftelijke opmerkingen te formuleren bij het conceptadvies.

Deze opmerkingen worden als bijlage toegevoegd aan het schriftelijk advies aan de bevoegde deontologische commissie.

Het advies van de algemeen directeur, waarover de bevoegde deontologische commissie beraadslaagt, beslaat in principe vijf mogelijke scenario’s, waarop de commissie zich zal richten:

    1. Er zijn geen gronden gevonden voor verder onderzoek of oordeel, of de melding betreft een dusdanige milde vorm van een schending, dat ze afgedaan kan worden met het individueel aanspreken van de vermeende schender;
    2. De vermeende schender heeft de schending erkend, zodat verder onderzoek door de bevoegde deontologische commissie niet nodig is.
      De commissie wordt geadviseerd het dossier formeel af te sluiten en te komen tot een inschatting van de ernst van de schending;
    3. Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending.
      De deontologische commissie wordt geadviseerd om tot een eigen toetsing van de schending te komen en een inschatting te maken van de ernst;
      Er zijn voldoende gronden om te spreken van een deontologische schending.
    4. Er is echter nood aan verder onderzoek.
      De bevoegde deontologische commissie wordt geadviseerd over de onderzoeksvraag, wie het onderzoek zou moeten opstarten/uitvoeren (de Vlaamse regering/de provinciegouverneur, Audit Vlaanderen, een integriteitsspecialist, …) en wat de termijnen zijn;
    5. Er is een gegrond vermoeden van een strafrechtelijk vervolgbaar feit.*
      De deontologische commissie wordt geadviseerd een zelfstandige beslissing te nemen om de melding neer te leggen bij de politie/het parket.

8.6.
De bevoegde deontologische commissie oordeelt op basis van het advies van de algemeen directeur over de te nemen vervolgstappen.

De melder en de vermeende schender hebben het recht om in deze fase te worden gehoord door de bevoegde deontologische commissie.

Voor beiden geldt dat zij zich kunnen laten bijstaan door een raadsman.

Geen van beide partijen is verplicht zich te laten horen.

De commissie kan in het kader van het vooronderzoek ook getuigen horen.

Na het bestuderen van het advies van de algemeen directeur en het horen van de betrokkenen bespreekt de commissie het vermoeden van schending en wordt een gemotiveerd advies overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn.

De wijze van communiceren vanuit de raad voor maatschappelijk welzijn over de voorliggende zaak is onderdeel van het advies van de bevoegde deontologische commissie.

Indien de bevoegde deontologische commissie een schending heeft vastgesteld – omdat de schender deze heeft toegegeven of omdat ze uit onderzoek is gebleken – dan neemt ze in haar advies ook de meest passende, proportionele vorm van afhandeling op, inclusief een beschrijving van de verzwarende en verzachtende omstandigheden bij het voorstel van afhandeling.

Er wordt een uitzondering gemaakt op deze regelen wanneer:

    • er eerst een vervolgonderzoek noodzakelijk wordt geacht.  Dit vraagt om een beoordeling van de rapportage op het vervolgonderzoek;
    • er melding wordt gedaan bij de Vlaamse Regering/Audit Vlaanderen, dan wel wanneer er een politionele aangifte is gedaan.  In dit geval informeert de deontologische commissie de raad voor maatschappelijk welzijn over de genomen stap.

De commissie streeft in haar oordeel naar unanimiteit.

Een simpele meerderheid van uitgebrachte stemmen volstaat om tot een oordeel te komen.

Indien er evenveel stemmen voor als tegen een oordeel zijn, dan heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.

Een lid van de bevoegde deontologische commissie kan ervoor kiezen een afwijkend standpunt op te tekenen en, met het advies aan de raad voor maatschappelijk welzijn, mee te sturen.

9. Het zich uitspreken over schendingen van de deontologische code

9.1.
De raad voor maatschappelijk welzijn beoordeelt of een gemeenteraadslid een schending heeft begaan.

De raad voor maatschappelijk welzijn doet dit op basis van het gemotiveerd advies van de deontologische commissie.

Als de raad voor maatschappelijk welzijn beslist om af te wijken van het advies, dan moet de vermeende schender de kans krijgen om zich tijdens de besloten zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn uit te spreken over de beslissing.

Wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn vaststelt dat de deontologische code geschonden werd door een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, dan kan de raad voor maatschappelijk welzijn: 

    • het gedrag van het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn uitdrukkelijk afkeuren;
    • vragen dat het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn zich publiekelijk verontschuldigt;
    • een dossier overmaken aan de Vlaamse regering zodat die een tuchtonderzoek kan instellen bij kennelijk wangedrag of grove nalatigheid van of door de burgemeester, een schepen, raadsvoorzitter of de voorzitter van het bijzonder comité voor de sociale dienst.

9.2.
Via de voorzitter voor de raad van maatschappelijk welzijn communiceert de raad voor maatschappelijk welzijn over haar oordeel en (indien mogelijk) de gronden daarvan.

De bevoegde deontologische commissie adviseert de raad voor maatschappelijk welzijn vóór elke (externe) communicatie.

10. Het evalueren van de deontologische code

Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert de raad voor maatschappelijk welzijn de deontologische code.

De raad voor maatschappelijk welzijn vraagt daarvoor eerst advies aan de bevoegde deontologische commissie.

Daarbij wordt onder meer bekeken of de code nog actueel is, of ze nog goed werkt en of ze nageleefd wordt.