Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad.
Op 7 januari 2026 heeft het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau een afsprakennota ""SAMEN DENKEN WERKEN van het politiek & ambtelijk management" goedgekeurd, waarin het belang van een deontologische code voor het bestuur en voor het personeel werd onderstreept.
Ingevolge het decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad, zijn alle lokale besturen in Vlaanderen verplicht om een deontologische commissie op te richten.
De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn richten elk een eigen deontologische commissie in.
De deontologische commissie voor de gemeenteraad is bevoegd voor:
De deontologische commissie voor de raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd voor:
De samenstelling van de deontologische commissie van de gemeenteraad kan gelijkaardig of identiek zijn aan de samenstelling van de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn.
De deontologische commissie van de gemeenteraad is bevoegd voor de toepassing van de deontologische code van het college van burgemeester en schepenen.
De deontologische code regelt de samenstelling, de werking en de bevoegdheid van de deontologische commissie.
niet van toepassing
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.
Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad.
Besluit van van 4 april 2019 van de gemeenteraad betreffende deontologische code van de gemeenteraad: vaststellen.
Besluit van 25 april 2019 van het college van burgemeester en schepenen betreffende de deontologische code van het college van burgemeester en schepenen: vaststellen.
Artikel 1
Het college van burgemeester en schepenen heft het besluit van 25 april 2019 van het college van burgemeester en schepenen betreffende deontologische code van het college van burgemeester en schepenen: vaststellen, op met ingang van 5 februari 2026.
Het college van burgemeester en schepenen keurt volgende deontologische code goed met ingang van 5 februari 2026:
Inhoudsopgave
1. Voorkomen van (de schijn van) belangenvermenging en cliëntelisme
1.1.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen staat in al zijn of haar handelen, in het besluitvormingsproces en in het contact met burgers, steeds in dienst van het algemeen belang.
1.2.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen gaat actief en uit zichzelf alle vormen van belangenvermenging (en de schijn ervan) tegen.
Dit betekent dat:
1.3.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen vervult de rol van aanspreekpunt en informatiebemiddelaar voor de burger steeds op neutrale basis, zonder persoonlijke bevoordeling van één of meerdere burgers in een dossier, dan wel het wekken van de schijn daarvan.
1.4.
Ter voorkoming van overschrijding van de onder 1.1 en 1.2 beschreven normen, engageren alle leden van het college van burgemeester en schepenen zich tot het aanleveren, en up-to-date houden van de volgende gegevens bij de algemeen directeur:
De leden van het college van burgemeester en schepenen kunnen op eenvoudig verzoek bij de algemeen directeur inzage bekomen van deze lijsten.
1.5.
Ter voorkoming van overschrijding van de norm beschreven onder 1.3 zorgt de algemeen directeur ervoor dat dossier-behandelende personeelsleden alle tussenkomsten opnemen in het desbetreffende administratieve dossier.
Louter informatieve vragen of vragen/tussenkomsten van uitvoerende mandatarissen in het kader van hun functionele en hiërarchische relaties met de behandelende personeelsleden of diensten, vallen daarbuiten.
2. Tegengaan van oneigenlijke beïnvloeding en de schijn ervan
2.1.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen mag zijn of haar invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door, noch aanbieden voor geld, goederen, diensten of andere gunsten, die hem gegeven of beloofd werden.
2.2.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen moet actief en uit zichzelf de schijn van beïnvloeding en partijdigheid tegengaan.
2.3.
De mandataris doet dit door:
Bovendien houdt het lid van het college van burgemeester en schepenen rekening met de timing en context, waarbinnen de uitnodiging wordt gedaan, met het doel de schijn van beïnvloeding te minimaliseren.
2.4.
Het geven van geschenken aan, dan wel het uitnodigen van derden gebeurt nooit in eigen naam, maar altijd in naam van het lokaal bestuur.
Daarbij zal men er steeds waakzaam voor zijn alle vormen van partijdigheid, bevoordeling en/of uitsluiting te vermijden.
2.5.
Ter bevordering van de transparantie en het voorkomen van enige schijn van beïnvloeding spreken de mandatarissen onderling af dat:
3. Verantwoord gebruik van faciliteiten en middelen van het lokaal bestuur
3.1.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen gebruikt de voorzieningen en eigendommen van het lokaal bestuur niet voor privé-doeleinden.
3.2.
Leden van het college van burgemeester en schepenen gaan verantwoord en op sobere wijze om met publieke middelen en vergoedingen, die tot hun beschikking staan.
3.3.
Leden van het college van burgemeester en schepenen, die gebruik maken van de onkostenvergoedingen, leggen hierover op een transparantie wijze en volgens de afgesproken procedure verantwoording af.
3.4.
De algemeen directeur, of een hiervoor aangestelde medewerker, rapporteert jaarlijks over de gedeclareerde onkostenvergoedingen aan de gemeenteraad.
4. Zorgvuldige omgang met informatie
4.1.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen bewaakt het geheime karakter en de vertrouwelijkheid van informatie.
Dit betekent dat een lid van het college van burgemeester en schepenen:
- het beroepsgeheim eerbiedigt wanneer hij of zij kennis neemt van geheime informatie;
- zich gebonden weet door de geheimhoudingsplicht voor de feiten, meningen en overwegingen gedeeld tijdens een besloten vergadering.
Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer de wet openbaarheid voorschrijft.
4.2.
Leden van de gemeenteraad gaan discreet en voorzichtig om met de informatie, waartoe zij toegang hebben.
Dit houdt onder andere in dat een lid van de gemeenteraad:
4.3.
Leden van het college van burgemeester en schepenen gebruiken de informatie, waartoe zij toegang hebben vanuit hun ambt, nooit voor het eigen belang of voor het persoonlijke of zakelijke belang van derden.
4.4.
Leden van het college van burgemeester en schepenen zijn open en eerlijk over de redenen en inzichten op basis waarvan zij hun stem uitbrengen.
4.5.
Voor de eenduidigheid en transparantie over informatieaanvraag, -ontvangst en -deling spreken de leden van het college van burgemeester en schepenen af dat:
5. Respectvolle omgang met anderen
5.1.
Alle leden van het college van burgemeester en schepenen gaan op respectvolle wijze om met elkaar, de algemeen directeur en andere personeelsleden, evenals met de burgers, in woord, gebaar en geschrift.
5.2.
Leden van het college van burgemeester en schepenen zaaien geen twijfel over elkaars integriteit.
Zij erkennen en bevestigen elkaar actief in hun streven naar het dienen van het algemeen belang vanuit hun ambt, rol en politieke kleur.
5.3.
Leden van het college van burgemeester en schepenen onthouden zich in het openbaar, dus ook in openbare raads- en commissievergaderingen, van negatieve uitlatingen over individuele personeelseden.
5.4.
Een lid van het college van burgemeester en schepenen staat op dezelfde gewetensvolle manier ten dienste van alle burgers, zonder onderscheid van geslacht, geaardheid, huidskleur, afstamming, sociale stand, nationaliteit, filosofische en/of religieuze overtuiging, ideologische voorkeur of persoonlijke gevoelens.
5.5.
Bij onenigheid in de onderlinge omgang of de gang van zaken tijdens of buiten vergaderingen gaan de leden van het college van burgemeester en schepenen, eventueel onder begeleiding, in eerste instantie het gesprek aan met elkaar.
6. Het voorkomen van mogelijke schendingen
6.1.
Wanneer een lid van het college van burgemeester en schepenen twijfelt of een eigen handeling een overtreding van de code zou kunnen zijn, moet dit discreet bespreekbaar gemaakt kunnen worden.
Dit kan zijn binnen de eigen fractie, met een collega, lid van het college van burgemeester en schepenen, of met de algemeen directeur.
6.2.
Wanneer een lid van het college van burgemeester en schepenen twijfelt over een nog niet uitgevoerde handeling van een andere lid van het college van burgemeester en schepenen, dan waarschuwt hij of zij die persoon, eventueel met het advies om informatie in te winnen bij de algemeen directeur.
7. Het signaleren van vermoedens van schendingen van de deontologische code
7.1.
Wanneer een lid van het college van burgemeester en schepenen eraan twijfelt of een regel van de deontologische code is overtreden door een ander lid van het college van burgemeester en schepenen, kan hij of zij dit bij voorkeur aankaarten bij zijn collega lid van het college van burgemeester en schepenen in kwestie.
Indien er goede redenen zijn om dit niet te doen, dan kan het lid van het college van burgemeester en schepenen de kwestie voorleggen aan de algemeen directeur.
Al dan niet na een gesprek met de algemeen directeur, kan het lid van het college van burgemeester en schepenen overgaan tot een formele melding bij de voorzitter van de deontologische commissie.
Vanaf dit moment start het formele handhavingsproces onder mandaat van de deontologische commissie.
7.2.
De volgende personen kunnen een melding van een schending van de deontologische code doen bij de deontologische commissie:
8. Het duiden en onderzoeken van vermoedens van schendingen van de deontologische code
8.1.
Het college van burgemeester en schepenen stelt een deontologische code op de voor het college van burgemeester en schepenen.
Het doel van de deontologische commissie is eerst en vooral het bevorderen van het zelfcorrigerend vermogen van het lokaal bestuur.
In de deontologische code worden de volgende zaken vastgelegd over de deontologische commissie:
samenstelling:
bevoegdheid:
werking:
8.2.
De deontologische commissie mandateert de algemeen directeur om een ontvankelijkheidstoets uit te voeren.
De algemeen directeur kan daarin bijgestaan worden door interne en/of externe experten.
Om de ontvankelijkheid te onderzoeken zal een gesprek plaatsvinden met de melder.
Een melding is ontvankelijk wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(1)
Niet alle vermoedens kunnen onderzocht worden of vragen om onderzoek – denk aan een schending van artikel 5 (interpersoonlijke schendingen), waarbij geen getuigen van het voorval aanwezig zijn).
Iedere melding wordt vertrouwelijk behandeld.
In deze fase is de naam van de melder en degene over wie de melding gaat slechts bekend bij de leden van de deontologische commissie en bij de eventueel door de algemeen directeur aangestelde experten.
8.3.
De algemeen directeur formuleert een ontvankelijkheidsadvies en stuurt dit, inclusief de onderliggende stukken, die deel uitmaken van het advies, aan de leden van de bevoegde deontologische commissie ter beoordeling.
Indien de leden van de deontologische commissie niet binnen de vijf werkdagen bezwaar maken op het advies, dan wordt het advies over de ontvankelijkheid formeel omgezet in een beslissing van de deontologische commissie, als uiteindelijk verantwoordelijke voor de beslissing.
Indien één lid bewaar aantekent tegen het advies van de algemeen directeur, zal de bevoegde deontologische commissie bijeenkomen voor de bespreking van het advies.
Wanneer het advies luidt dat een melding ontvankelijks is, neemt de algemeen directeur de onderzoeksvraag op in het advies van de deontologische commissie.
Wanneer een melding niet-ontvankelijk is, betekent dit meteen het einde van de formele procedure.
De melder wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de algemeen directeur, in naam van de bevoegde deontologische commissie.
Een melder kan een melding ook zelf intrekken.
Wanneer de melding uitsluitend te maken heeft met de onderlinge relatie tussen 2 of meer personen, betekent dit in principe het einde van de formele procedure.
Bij een schending van de andere gedragsregels (bijvoorbeeld belangenvermenging) zal de formele procedure blijven lopen.
De melding is in dat geval niet (meer) gebonden aan degene, die de melding doet.
8.4.
Bij een ontvankelijke melding start de algemeen directeur, onder mandaat van de bevoegde deontologische commissie, een vooronderzoek.
De algemeen directeur kan zich hierbij door interne en/of externe experten bij laten staan.
De vermeende schender wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van het vooronderzoek door de algemeen directeur, behalve wanneer de bevoegde deontologische commissie acht dat dit het vooronderzoek kan schaden.
De vermeende schender wordt erop gewezen dat deze zich tijdens het proces mag laten bijstaan door een raadsman naar keuze.
De commissie bepaalt waaruit het vooronderzoek zal bestaan.
Het vooronderzoek bestaat in ieder geval uit:
8.5.
De algemeen directeur brengt schriftelijk advies uit aan de bevoegde deontologische commissie op basis van het vooronderzoek.
Het conceptadvies wordt eerst ter lezing voorgelegd aan de voorzitter van de bevoegde deontologische commissie.
Vervolgens wordt het concept ter inzage voorgelegd aan de vermeende schender, zodat deze de kans heeft schriftelijke opmerkingen te formuleren bij het conceptadvies.
Deze opmerkingen worden als bijlage toegevoegd aan het schriftelijk advies aan de bevoegde deontologische commissie.
Het advies van de algemeen directeur, waarover de bevoegde deontologische commissie beraadslaagt, beslaat in principe vijf mogelijke scenario’s, waarop de commissie zich zal richten:
8.6.
De bevoegde deontologische commissie oordeelt op basis van het advies van de algemeen directeur over de te nemen vervolgstappen.
De melder en de vermeende schender hebben het recht om in deze fase te worden gehoord door de bevoegde deontologische commissie.
Voor beiden geldt dat zij zich kunnen laten bijstaan door een raadsman.
Geen van beide partijen is verplicht zich te laten horen.
De commissie kan in het kader van het vooronderzoek ook getuigen horen.
Na het bestuderen van het advies van de algemeen directeur en het horen van de betrokkenen bespreekt de commissie het vermoeden van schending en wordt een gemotiveerd advies overgemaakt aan de gemeenteraad.
De wijze van communiceren vanuit de gemeenteraad over de voorliggende zaak is onderdeel van het advies van de bevoegde deontologische commissie.
Indien de bevoegde deontologische commissie een schending heeft vastgesteld – omdat de schender deze heeft toegegeven of omdat ze uit onderzoek is gebleken – dan neemt ze in haar advies ook de meest passende, proportionele vorm van afhandeling op, inclusief een beschrijving van de verzwarende en verzachtende omstandigheden bij het voorstel van afhandeling.
Er wordt een uitzondering gemaakt op deze regelen wanneer:
De commissie streeft in haar oordeel naar unanimiteit.
Een simpele meerderheid van uitgebrachte stemmen volstaat om tot een oordeel te komen.
Indien er evenveel stemmen voor als tegen een oordeel zijn, dan heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.
Een lid van de bevoegde deontologische commissie kan ervoor kiezen een afwijkend standpunt op te tekenen en, met het advies aan de gemeenteraad, mee te sturen.
9. Het zich uitspreken over schendingen van de deontologische code
9.1.
De gemeenteraad beoordeelt of een gemeenteraadslid een schending heeft begaan.
De gemeenteraad doet dit op basis van het gemotiveerd advies van de deontologische commissie.
Als de gemeenteraad beslist om af te wijken van het advies, dan moet de vermeende schender de kans krijgen om zich tijdens de besloten zitting van de gemeenteraad uit te spreken over de beslissing.
Wanneer de gemeenteraad vaststelt dat de deontologische code geschonden werd door een gemeenteraadslid, dan kan de raad:
9.2.
Via de gemeenteraadsvoorzitter en de burgemeester communiceert de gemeenteraad over haar oordeel en (indien mogelijk) de gronden daarvan.
De bevoegde deontologische commissie adviseert de gemeenteraad vóór elke (externe) communicatie.
10. Het evalueren van de deontologische code
Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert de gemeenteraad de deontologische code.
De gemeenteraad vraagt daarvoor eerst advies aan de bevoegde deontologische commissie.
Daarbij wordt onder meer bekeken of de code nog actueel is, of ze nog goed werkt en of ze nageleefd wordt.