De voorzitter opent de zitting op 05/02/2026 om 19:39.
De voorzitter vraagt de vergadering om een minuut stilte ter nagedachtenis van het heengaan van de heer Willy De Mets, die overleden is op 12 december 2025 en voor mevrouw Maria Callens, die overleden is op 9 januari 2026.
De heer Willy De Mets was de vader van gemeenteraadslid Koen De Mets en mevrouw Callens was de moeder van schepen Carine Geldhof.
De raad neemt kennis van:
E-mailbericht van 3 oktober 2025 en van 2 december 2025 van DVV Midwest.
In 2018 werd bij de opstart van de werking van DVV Midwest onder begeleiding van kantoor Vandelanotte een prefilling opgemaakt om een ruling met de BTW commissie aan te vragen.
Bij de opmaak van het aanvraagdossier voor de ruling, heeft Vandelanotte gemotiveerd dat de werking van DVV Midwest onder verschillende uitzonderingsgronden valt zoals opgenomen in de BTW circulaire waardoor DVV Midwest vrijgesteld zou zijn van BTW.
Deze ruling werd uiteindelijk nooit formeel beoordeeld door de BTW commissie omdat men geen uitspraak kon doen over het voorafgaandelijk karakter.
Sindsdien heeft DVV Midwest steeds gewerkt volgens de afgesproken principes in de prefilling.
Dit betekent dat een transparante boekhouding wordt gevoerd (aanvullend volgens BBC), dat voor intergemeentelijk personeel een duidelijk overzicht wordt bijgehouden van de verschillende kosten, die volgens een afgesproken verdeelsleutel verdeeld worden onder de deelnemende besturen.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.
Besluit van 17 december 2025 van het vast bureau betreffende (voorlopige) goedkeuring van de samenwerkingsovereenkomst KDV 'IGS Midwest' (kostendelende vereniging IGS Midwest).
Statuten DVV Midwest van 22 december 2017, gewijzigd op 18 december 2018.
De besturen hebben in het najaar 2024 de beslissing genomen om de NIP werking in te kantelen van PZ RIHO naar DVV Midwest.
Naast Midwest-gemeenten maken ook niet-Midwest-gemeenten gebruik van deze dienstverlening (wat momenteel ook zo behouden zou blijven).
Gelet op dit nieuw gegeven, keurde de raad van bestuur goed om advies in te winnen van Joost De Bauw, BTW expert.
Om te voldoen aan de voorwaarden van het Wetboek BTW dient DVV Midwest, op basis van het advies van Joost De Bauw, een nieuwe zelfstandige groepering op te richten met bijhorende administratieve formaliteiten.
In uitvoering hiervan is een samenwerkingsovereenkomst opgemaakt om een kostendelende vereniging ‘intergemeentelijk samenwerking Midwest’ op te richten die ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Toelichting door de heer Derudder, burgemeester.
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
Artikel 1.
De raad voor maatschappelijk welzijn neemt akte van oprichting van de kostendelende vereniging “intergemeentelijke samenwerking Midwest”.
Artikel 2.
De raad voor maatschappelijk welzijn keurt de samenwerkingsovereenkomst goed.
Artikel 3.
De raad voor maatschappelijk welzijn machtigt de heer Derudder, burgemeester, en de heer Carl Vereecke, algemeen directeur, om namens de raad voor maatschappelijk welzijn de nuttige stukken mbt. de aktename van de oprichting van de kostendelende vereniging “intergemeentelijke samenwerking Midwest” en mbt. de goedkeuring van de samenwerkingsovereenkomst met DVV Midwest te ondertekenen.
Artikel 4.
Een afschrift van deze beslissing wordt bezorgd op dvv-midwest@midwest.be.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.
Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de raad voor maatschappelijk welzijn.
Op 7 januari 2026 heeft het college van burgemeester en schepenen en het vast bureau een afsprakennota "SAMEN DENKEN WERKEN van het politiek & ambtelijk management" goedgekeurd, waarin het belang van een deontologische code voor het bestuur en voor het personeel werd onderstreept.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van decreet van 24 oktober 2025 wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.
Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad.
Besluit van 5 februari 2026 van de raad voor maatschappelijk welzijn betreffende deontologische code van de raad voor maatschappelijk welzijn: vaststellen.
Besluit van het vast bureau van 4 februari 2026 betreffende deontologische code van het vast bureau: vaststellen.
Besluit van het Bijzonder Comité voor de sociale dienst van 16 april 2019 betreffende de deontologische code van het bijzonder comité voor de sociale dienst: vaststellen.
Ingevolge het decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad, zijn alle lokale besturen in Vlaanderen verplicht om een deontologische commissie op te richten.
De gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn richten elk een eigen deontologische commissie in.
De deontologische commissie voor de gemeenteraad is bevoegd voor:
De deontologische commissie voor de raad voor maatschappelijk welzijn is bevoegd voor:
De samenstelling van de deontologische commissie van de gemeenteraad kan gelijkaardig of identiek zijn aan de samenstelling van de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn.
De deontologische code regelt de samenstelling, de werking en de bevoegdheid van de deontologische commissie.
Toelichting door de heer Claerhout, raadslid en voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
Artikel 1
De raad voor maatschappelijk welzijn heft het besluit van 4 mei 2023 van de gemeenteraad betreffende deontologische code van de gemeenteraad: (her-)vaststellen op met ingang van 6 februari 2026.
Artikel 2
De raad voor maatschappelijk welzijn keurt volgende deontologische code goed met ingang van 6 februari 2026:
Inhoudsopgave
1. Voorkomen van (de schijn van) belangenvermenging en cliëntelisme
1.1.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn staat in al zijn of haar handelen, in het besluitvormingsproces en in het contact met burgers, steeds in dienst van het algemeen belang.
1.2.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn gaat actief en uit zichzelf alle vormen van belangenvermenging (en de schijn ervan) tegen.
Dit betekent dat:
1.3.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn vervult de rol van aanspreekpunt en informatiebemiddelaar voor de burger steeds op neutrale basis, zonder persoonlijke bevoordeling van één of meerdere burgers in een dossier, dan wel het wekken van de schijn daarvan.
1.4.
Ter voorkoming van overschrijding van de onder 1.1 en 1.2 beschreven normen, engageren alle leden van de raad voor maatschappelijk welzijn zich tot het aanleveren, en up-to-date houden van de volgende gegevens bij de algemeen directeur:
De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn kunnen op eenvoudig verzoek bij de algemeen directeur inzage bekomen van deze lijsten.
1.5.
Ter voorkoming van overschrijding van de norm beschreven onder 1.3 zorgt de algemeen directeur ervoor dat dossier-behandelende personeelsleden alle tussenkomsten opnemen in het desbetreffende administratieve dossier.
Louter informatieve vragen of vragen/tussenkomsten van uitvoerende mandatarissen in het kader van hun functionele en hiërarchische relaties met de behandelende personeelsleden of diensten, vallen daarbuiten.
2. Tegengaan van oneigenlijke beïnvloeding en de schijn ervan
2.1.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn mag zijn of haar invloed en stem niet laten kopen of beïnvloeden door, noch aanbieden voor geld, goederen, diensten of andere gunsten, die hem gegeven of beloofd werden.
2.2.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn moet actief en uit zichzelf de schijn van beïnvloeding en partijdigheid tegengaan.
2.3.
De mandataris doet dit door:
Bovendien houdt het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn rekening met de timing en context, waarbinnen de uitnodiging wordt gedaan, met het doel de schijn van beïnvloeding te minimaliseren.
2.4.
Het geven van geschenken aan, dan wel het uitnodigen van derden gebeurt nooit in eigen naam, maar altijd in naam van het OCMW.
Daarbij zal men er steeds waakzaam voor zijn alle vormen van partijdigheid, bevoordeling en/of uitsluiting te vermijden.
2.5. Ter bevordering van de transparantie en het voorkomen van enige schijn van beïnvloeding spreken de mandatarissen onderling af dat:
3. Verantwoord gebruik van faciliteiten en middelen van het lokaal bestuur
3.1.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn gebruikt de voorzieningen en eigendommen van het lokaal bestuur niet voor privé doeleinden.
3.2.
Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn gaan verantwoord en op sobere wijze om met publieke middelen en vergoedingen, die tot hun beschikking staan.
3.3.
Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, die gebruik maken van de onkostenvergoedingen, leggen hierover op een transparantie wijze en volgens de afgesproken procedure verantwoording af.
3.4.
De algemeen directeur, of een hiervoor aangestelde medewerker, rapporteert jaarlijks over de gedeclareerde onkostenvergoedingen aan de raad voor maatschappelijk welzijn.
4. Zorgvuldige omgang met informatie
4.1.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn bewaakt het geheime karakter en de vertrouwelijkheid van informatie.
Dit betekent dat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn:
Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer de wet openbaarheid voorschrijft.
4.2.
Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn gaan discreet en voorzichtig om met de informatie, waartoe zij toegang hebben.
Dit houdt onder andere in dat een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn:
4.3. Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn gebruiken de informatie, waartoe zij toegang hebben vanuit hun ambt, nooit voor het eigen belang of voor het persoonlijke of zakelijke belang van derden.
4.4. Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn open en eerlijk over de redenen en inzichten op basis waarvan zij hun stem uitbrengen.
4.5. Voor de eenduidigheid en transparantie over informatieaanvraag, -ontvangst en -deling spreken de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn af dat:
5. Respectvolle omgang met anderen
5.1.
Alle leden van de gaan op respectvolle wijze om met elkaar, de algemeen directeur en andere personeelsleden, evenals met de burgers, in woord, gebaar en geschrift.
5.2.
Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn zaaien geen twijfel over elkaars integriteit.
Zij erkennen en bevestigen elkaar actief in hun streven naar het dienen van het algemeen belang vanuit hun ambt, rol en politieke kleur.
5.3.
Leden van de raad voor maatschappelijk welzijn onthouden zich in het openbaar, dus ook in openbare raads- en commissievergaderingen, van negatieve uitlatingen over individuele personeelseden.
5.4.
Een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn staat op dezelfde gewetensvolle manier ten dienste van alle burgers, zonder onderscheid van geslacht, geaardheid, huidskleur, afstamming, sociale stand, nationaliteit, filosofische en/of religieuze overtuiging, ideologische voorkeur of persoonlijke gevoelens.
5.5.
Bij onenigheid in de onderlinge omgang of de gang van zaken tijdens of buiten vergaderingen gaan de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, eventueel onder begeleiding, in eerste instantie het gesprek aan met elkaar.
6. Het voorkomen van mogelijke schendingen
6.1.
Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn twijfelt of een eigen handeling een overtreding van de code zou kunnen zijn, moet dit discreet bespreekbaar gemaakt kunnen worden.
Dit kan zijn binnen de eigen fractie, met een collega lid van de raad voor maatschappelijk welzijn of met de algemeen directeur.
6.2.
Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn twijfelt over een nog niet uitgevoerde handeling van een andere gemeenteraadslid, dan waarschuwt hij of zij die persoon, eventueel met het advies om informatie in te winnen bij de algemeen directeur.
7. Het signaleren van vermoedens van schendingen van de deontologische code
7.1.
Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn eraan twijfelt of een regel van de deontologische code is overtreden door een ander lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, kan hij of zij dit bij voorkeur aankaarten bij zijn collega lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in kwestie.
Indien er goede redenen zijn om dit niet te doen, dan kan het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de kwestie voorleggen aan de algemeen directeur.
Al dan niet na een gesprek met de algemeen directeur, kan het lid van de raad voor maatschappelijk welzijn overgaan tot een formele melding bij de voorzitter van de deontologische commissie.
Vanaf dit moment start het formele handhavingsproces onder mandaat van de deontologische commissie.
7.2.
De volgende personen kunnen een melding van een schending van de deontologische code doen bij de deontologische commissie:
8. Het duiden en onderzoeken van vermoedens van schendingen van de deontologische code
8.1.
De raad voor maatschappelijk welzijn stelt een deontologische code op de voor de raad voor maatschappelijk welzijn.
Het doel van de deontologische commissie is eerst en vooral het bevorderen van het zelfcorrigerend vermogen van het OCMW.
In de deontologische code worden de volgende zaken vastgelegd over de deontologische commissie:
samenstelling:
bevoegdheid:
werking:
8.2.
De deontologische commissie mandateert de algemeen directeur om een ontvankelijkheidstoets uit te voeren.
De algemeen directeur kan daarin bijgestaan worden door interne en/of externe experten.
Om de ontvankelijkheid te onderzoeken zal een gesprek plaatsvinden met de melder.
Een melding is ontvankelijk wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(1)
Niet alle vermoedens kunnen onderzocht worden of vragen om onderzoek – denk aan een schending van artikel 5 (interpersoonlijke schendingen), waarbij geen getuigen van het voorval aanwezig zijn).
Iedere melding wordt vertrouwelijk behandeld.
In deze fase is de naam van de melder en degene over wie de melding gaat slechts bekend bij de leden van de deontologische commissie en bij de eventueel door de algemeen directeur aangestelde experten.
8.3.
De algemeen directeur formuleert een ontvankelijkheidsadvies en stuurt dit, inclusief de onderliggende stukken, die deel uitmaken van het advies, aan de leden van de bevoegde deontologische commissie ter beoordeling.
Indien de leden van de deontologische commissie niet binnen de vijf werkdagen bezwaar maken op het advies, dan wordt het advies over de ontvankelijkheid formeel omgezet in een beslissing van de deontologische commissie, als uiteindelijk verantwoordelijke voor de beslissing.
Indien één lid bewaar aantekent tegen het advies van de algemeen directeur, zal de bevoegde deontologische commissie bijeenkomen voor de bespreking van het advies.
Wanneer het advies luidt dat een melding ontvankelijks is, neemt de algemeen directeur de onderzoeksvraag op in het advies van de deontologische commissie.
Wanneer een melding niet-ontvankelijk is, betekent dit meteen het einde van de formele procedure.
De melder wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de algemeen directeur, in naam van de bevoegde deontologische commissie.
Een melder kan een melding ook zelf intrekken.
Wanneer de melding uitsluitend te maken heeft met de onderlinge relatie tussen 2 of meer personen, betekent dit in principe het einde van de formele procedure.
Bij een schending van de andere gedragsregels (bijvoorbeeld belangenvermenging) zal de formele procedure blijven lopen.
De melding is in dat geval niet (meer) gebonden aan degene, die de melding doet.
8.4.
Bij een ontvankelijke melding start de algemeen directeur, onder mandaat van de bevoegde deontologische commissie, een vooronderzoek.
De algemeen directeur kan zich hierbij door interne en/of externe experten bij laten staan.
De vermeende schender wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van het vooronderzoek door de algemeen directeur, behalve wanneer de bevoegde deontologische commissie acht dat dit het vooronderzoek kan schaden.
De vermeende schender wordt erop gewezen dat deze zich tijdens het proces mag laten bijstaan door een raadsman naar keuze.
De commissie bepaalt waaruit het vooronderzoek zal bestaan.
Het vooronderzoek bestaat in ieder geval uit:
8.5.
De algemeen directeur brengt schriftelijk advies uit aan de bevoegde deontologische commissie op basis van het vooronderzoek.
Het conceptadvies wordt eerst ter lezing voorgelegd aan de voorzitter van de bevoegde deontologische commissie.
Vervolgens wordt het concept ter inzage voorgelegd aan de vermeende schender, zodat deze de kans heeft schriftelijke opmerkingen te formuleren bij het conceptadvies.
Deze opmerkingen worden als bijlage toegevoegd aan het schriftelijk advies aan de bevoegde deontologische commissie.
Het advies van de algemeen directeur, waarover de bevoegde deontologische commissie beraadslaagt, beslaat in principe vijf mogelijke scenario’s, waarop de commissie zich zal richten:
8.6.
De bevoegde deontologische commissie oordeelt op basis van het advies van de algemeen directeur over de te nemen vervolgstappen.
De melder en de vermeende schender hebben het recht om in deze fase te worden gehoord door de bevoegde deontologische commissie.
Voor beiden geldt dat zij zich kunnen laten bijstaan door een raadsman.
Geen van beide partijen is verplicht zich te laten horen.
De commissie kan in het kader van het vooronderzoek ook getuigen horen.
Na het bestuderen van het advies van de algemeen directeur en het horen van de betrokkenen bespreekt de commissie het vermoeden van schending en wordt een gemotiveerd advies overgemaakt aan de raad voor maatschappelijk welzijn.
De wijze van communiceren vanuit de raad voor maatschappelijk welzijn over de voorliggende zaak is onderdeel van het advies van de bevoegde deontologische commissie.
Indien de bevoegde deontologische commissie een schending heeft vastgesteld – omdat de schender deze heeft toegegeven of omdat ze uit onderzoek is gebleken – dan neemt ze in haar advies ook de meest passende, proportionele vorm van afhandeling op, inclusief een beschrijving van de verzwarende en verzachtende omstandigheden bij het voorstel van afhandeling.
Er wordt een uitzondering gemaakt op deze regelen wanneer:
De commissie streeft in haar oordeel naar unanimiteit.
Een simpele meerderheid van uitgebrachte stemmen volstaat om tot een oordeel te komen.
Indien er evenveel stemmen voor als tegen een oordeel zijn, dan heeft de voorzitter de doorslaggevende stem.
Een lid van de bevoegde deontologische commissie kan ervoor kiezen een afwijkend standpunt op te tekenen en, met het advies aan de raad voor maatschappelijk welzijn, mee te sturen.
9. Het zich uitspreken over schendingen van de deontologische code
9.1.
De raad voor maatschappelijk welzijn beoordeelt of een gemeenteraadslid een schending heeft begaan.
De raad voor maatschappelijk welzijn doet dit op basis van het gemotiveerd advies van de deontologische commissie.
Als de raad voor maatschappelijk welzijn beslist om af te wijken van het advies, dan moet de vermeende schender de kans krijgen om zich tijdens de besloten zitting van de raad voor maatschappelijk welzijn uit te spreken over de beslissing.
Wanneer de raad voor maatschappelijk welzijn vaststelt dat de deontologische code geschonden werd door een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn, dan kan de raad voor maatschappelijk welzijn:
9.2.
Via de voorzitter voor de raad van maatschappelijk welzijn communiceert de raad voor maatschappelijk welzijn over haar oordeel en (indien mogelijk) de gronden daarvan.
De bevoegde deontologische commissie adviseert de raad voor maatschappelijk welzijn vóór elke (externe) communicatie.
10. Het evalueren van de deontologische code
Minimaal één keer per bestuursperiode evalueert de raad voor maatschappelijk welzijn de deontologische code.
De raad voor maatschappelijk welzijn vraagt daarvoor eerst advies aan de bevoegde deontologische commissie.
Daarbij wordt onder meer bekeken of de code nog actueel is, of ze nog goed werkt en of ze nageleefd wordt.
Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.
Decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad.
Besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 5 februari 2026 betreffende deontologische code van de raad voor maatschappelijk welzijn: (her-)vaststellen.
Ingevolge het decreet van 3 februari 2023 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft de oprichting van een deontologische commissie bij de gemeenteraad en de districtsraad, zijn alle lokale besturen in Vlaanderen verplicht om een deontologische commissie op te richten.
Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de gemeenteraad de regels in verband met de samenstelling van de deontologische commissie van de gemeente vastgelegd:
De samenstelling van de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn kan gelijkaardig of identiek zijn aan de samenstelling van de deontologische commissie van de gemeenteraad.
INSPRAAK.nu stelt volgende persoon voor als:
Oostrozebeke.nu stelt volgende persoon voor als:
Vlaams Belang stelt volgende persoon voor als:
Toelichting door de heer Claerhout, raadslid en voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn.
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
De raad voor maatschappelijk welzijn gaat over tot digitale geheime stemming.
18 stembrieven worden geregistreerd: 18 ja-stemmen.
De voorgedragen raadsleden bekomen 18 ja-stemmen en bekomen derhalve de volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen voor het voorliggend besluit tot aanstelling als effectief of plaatsvervangend lid van de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn.
Artikel 1
De heer Koenn Vandenbroucke, raadslid, wordt aangeduid als lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de fractie INSPRAAK.nu.
De heer Dirk Rogge, raadslid wordt aangeduid als lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de fractie Oostrozebeke.nu.
De heer Robbe Coorevits, raadslid, wordt aangeduid als lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de fractie Oostrozebeke.nu.
De heer Glenn Coppens, raadslid, wordt aangeduid als lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de fractie Vlaams Belang Oostrozebeke.
Artikel 2
Mevrouw Dary Cnockaert, raadslid, wordt aangeduid als plaatsvervangend lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de heer Koen Vandenbroucke van de fractie INSPRAAK.nu.
Mevrouw Veerle Holsbeke, raadslid, wordt aangeduid als plaatsvervangend lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de heer Dirk Rogge van de fractie Oostrozebeke.nu.
Mevrouw Annelies Gevaert, raadslid, wordt aangeduid als plaatsvervangend lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de heer Robbe Coorevits van de fractie Oostrozebeke.nu.
Mevrouw Inge Noyez, raadslid, wordt aangeduid als plaatsvervangend lid van de deontologische commissie van de gemeenteraad voor de heer Glenn Coppens van de fractie Vlaams Belang Oostrozebeke.
Artikel 3
De heer Hans Claerhout, raadslid en voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, wordt aangeduid als voorzitter van de deontologische commissie van de raad voor maatschappelijk welzijn, die vervangen kan worden bij toepassing van het artikel 7 § 5, derde lid, 1° en 2° en het artikel 69, eerste lid, van het decreet over het lokaal bestuur.
Als erkende dienst voor schuldbemiddeling moet er jaarlijks een jaarverslag ingediend worden.
Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het laatst gewijzigd bij de wet van 14 maart 2024 betreffende wijziging wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.
Decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning van de instellingen voor schuldbemiddeling, het laatst gewijzigd bij decreet van 26 april 2024 tot wijziging van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning en subsidiëring van de instellingen voor schuldbemiddeling, wat betreft de verwerking van persoonsgegevens.
Besluit van de Vlaamse regering van 25 maart 1997 tot uitvoering van het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning van de instellingen voor schuldbemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap, het laatst gewijzigd bij besluit van 12 mei 2023 van de Vlaamse Regering tot wijziging van besluiten van de Vlaamse Regering door de fusie van het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid tot het Departement Zorg.
Ministerieel besluit van 31 december 2012 betreffende de vaststelling van het model van jaarverslag dat de erkende instellingen voor schuldbemiddeling moeten gebruiken, het laatst gewijzigd door het ministerieel besluit van 15 januari 2018 betreffende de vaststelling van het model van jaarverslag en het model van basisregistratie voor de erkende instellingen voor schuldbemiddeling.
Ministerieel besluit van 24 november 1999 houdende erkenning van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Oostrozebeke als instelling voor schuldbemiddeling.
Besluit van 5 juli 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn betreffende de oprichting van een dienst schuldbemiddeling binnen de sociale dienst van het OCMW en de aanvraag tot erkenning van voormelde dienst.
Het OCMW Oostrozebeke beschikt over een erkende instelling voor schuldbemiddeling onder nummer 14AB/74/99065.
Een door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgesteld jaarverslag is een erkenningsvoorwaarde als instelling voor schuldbemiddeling.
Het verslag wordt verwerkt door SAM, Steunpunt Mens en Samenleving vzw.
Toelichting door mevrouw Vervaeck, schepen-voorzitter bijzonder comité voor de sociale dienst.
niet van toepassing
niet van toepassing
De heer Vandenbroucke, raadslid.
Het jaarverslag van de erkende dienst voor schuldbemiddeling betreffende het werkingsjaar 2025 wordt vastgesteld.
De vaststelling dat de opbouw van het reglement eenvoudiger en logischer kan.
Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het laatst gewijzigd bij de wet van 14 maart 2024 betreffende wijziging wet 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen.
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat betreft een remediëringstraject na een forensische audit.
Besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 5 december 2019 betreffende sociale dienstverlening - reglement betreffende klusjesdienst: wijzigen.
Besluit van het vast bureau van 8 januari 2020 betreffende sociale dienstverlening - vaststellen gebruikersreglement klusjesdienst.
Besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 6 februari 2025 betreffende reglement tot delegatie van bevoegdheden aan het vast bureau: vaststellen.
Het reglement klusjesdienst wordt eenvoudiger en logischer opgebouwd:
Dit komt ipv het vroegere artikel 4: aanvraagprocedure en het artikel 5: besluiten.
Dit stond in het midden van het reglement en was soms moeilijk terug te vinden voor de mensen.
Nu staat het in het begin net zoals het reglement van de minder mobielen centrale.
Hierbij werd vooral gewijzigd aan de vorm van het artikel.
Dit o.m. zodat mensen daar al het telefoonnummer terugvinden om een afspraak te maken met de klusjesdienst.
Bij het buitenwerk staat nu vermeld: terras schuren.
Terras schuren betreft het terras proper zetten na de winter.
Er werd niets gewijzigd aan de reeds vernieuwde tarieven.
Maar we hebben nu wel vermeld dat er een kwartier extra gerekend wordt als de klusjesdienst op het einde van de dag naar het containerpark gaat.
Dit werd reeds gedaan in het verleden maar soms belden mensen met de opmerking dat er teveel aangerekend werd, vandaar de vermelding.
Toelichting door mevrouw Vervaeck, schepen-voorzitter bijzonder comité voor de sociale dienst.
niet van toepassing
niet van toepassing
niet van toepassing
Artikel 1
Het gebruikersreglement van 8 januari 2020 en reglement klusjesdienst van 5 december 2019 worden opgeheven per 1 maart 2026.
Artikel 2
Het reglement voor de klusjesdienst wordt als volgt vastgesteld:
Artikel 1: Aanvragen
Aanvragen voor klusjesdienst moeten ingediend worden bij:
Klusjesdienst OCMW Oostrozebeke
Ernest Brengierstraat 6, 8780 Oostrozebeke
056 67 11 50
sociaalhuis@oostrozebeke.be
Verantwoordelijke dienst: Vanessa Sergeant
056 67 11 69
vanessa.sergeant@oostrozebeke.be
De verantwoordelijke komt op huisbezoek bij een eerste aanvraag.
De sociale dienst voert het sociaal en financieel onderzoek.
Indien nodig wordt het advies van de medewerker van de klusjesdienst ingewonnen om de aard en omvang van de gevraagde hulp correct in te schatten.
Artikel 2 : Toekenningsvoorwaarden
Om recht te hebben moet de klant:
Artikel 3 : Taken
De klusjesdienst van het OCMW staat in voor kleine herstellings- en onderhoudswerken in en rond de woning, die niet concurrentieel zijn met de commerciële sector.
Deze werken vergen geen bijzondere vakkennis, vergen geen gespecialiseerd gereedschap en houden geen abnormaal veiligheidsrisico in.
Buitenwerk:
Binnenwerk:
Artikel 4 : Tarieven
De tarieven vastgesteld door het vast bureau werden vastgesteld als volgt:
| tarief per uur |
20,00 euro/uur |
| tarief per kwartier vanaf het tweede uur |
5 euro/kwartier |
| tarief voor het verplicht gebruik van materieel |
3,00 euro/beurt |
| tarief bij onverwittigde afwezigheid van de klant |
5,00 euro/keer |
| verplaatsingskosten per kilometer in opdracht van de klant |
vergoeding berekend op basis van de rechtspositieregeling van het personeel die per kwartaal kan wijzigen |
| kosten containerpark |
effectieve kost |
Er wordt altijd minimaal één uur arbeidsprestatie aangerekend, daarna wordt per kwartier gerekend.
Dit wordt gerekend van het ogenblik dat de klusjesdienst ter plaatse is tot hij terug vertrekt.
Indien de klusjesdienst een boodschap moet doen of naar het containerpark moet gaan, wordt een kilometervergoeding gerekend gelijkgesteld met die van het personeel van het OCMW en moet de gebruiker een kwartier extra betalen (duur van de verplaatsing).
Bij de uitvoering van de klusjes wordt om veiligheidsredenen steeds het materieel van de klusjesdienst gebruikt.
Hiervoor wordt een huurprijs van 3,00 euro per beurt aangerekend.
Na het uitvoeren van de klusjes wordt op basis van de door de klant ondertekende werkfiche een factuur opgemaakt.
Facturen moeten worden betaald binnen de dertig dagen.
Dit te rekenen vanaf de datum van verzending van de factuur.
Bij niet-betaling binnen de opgegeven termijn zullen 2,50 euro administratiekosten worden aangerekend bij het versturen van een eerste betalingsherinnering.
1ste betalingsherinnering:
Bij gebrek aan betaling binnen deze termijn wordt een eerste herinnering gestuurd vanaf de vijfde dag na de verstreken betalingstermijn.
Het verschuldigde bedrag wordt verhoogd met 2,50 euro administratiekosten.
Er wordt verzocht om binnen de vijftien dagen te betalen.
2de betalingsherinnering:
Volgt er geen betaling na de eerste herinnering, wordt er een laatste tweede herinnering per aangetekende zending gestuurd vanaf de vijfde dag na de verstreken betalingstermijn van de eerste herinnering.
Er wordt verzocht om binnen de vijftien dagen te betalen.
Het verschuldigde bedrag wordt verhoogd met 20,00 euro administratiekosten.
Niet-betaling kan leiden tot stopzetting van deze dienstverlening aan de klant.
Artikel 5 : Uitvoering van de opdracht
De klussen zijn beperkt tot de duur van de opdrachten, die in overleg werden afgesproken tussen de planningsmedewerker van de klusjesdienst en de klant.
De medewerker van de klusjesdienst kan dus geen bijkomende opdrachten uitvoeren zonder voorafgaand overleg en overeenkomst tussen de klant en de planningsmedewerker van de dienst.
Wanneer de medewerker van de klusjesdienst vaststelt dat de opdracht een onvoorzien hoog veiligheidsrisico inhoudt, mag hij/zij de uitvoering van de opdracht weigeren en dient hij/zij dit te melden aan de verantwoordelijke van de klusjesdienst.
Artikel 6: Aankoop grondstoffen/materialen
Indien de klant niet in de mogelijkheid is om de grondstoffen/materialen aan te kopen, kan de medewerker van de klusjesdienst zelf de boodschap doen.
De klusjesdienst betaalt de aankopen van de grondstoffen en materialen, deze kost wordt aangerekend via de factuur of klant geeft cash geld mee (de medewerker van de klusjesdienst schiet geen enkele aankoop voor), de medewerker van de klusjesdienst ondertekent een ontvangstbewijs.
De medewerker van de klusjesdienst ontvangt een kasticket, geeft dit samen met het wisselgeld terug aan de klant en de klant tekent het ontvangstbewijs af.
De verplaatsingstijd van de medewerker van de klusjesdienst wordt aangerekend aan hetzelfde tarief als de klusjes, voor de gereden kilometers wordt een kilometervergoeding gerekend gelijkgesteld met die van het personeel van het OCMW.
Artikel 7 : Verzekering
De medewerker van de klusjesdienst is verzekerd voor lichamelijke letsels zowel tijdens de werkuren als op de weg van en naar de gebruiker.
Bij ongeval zal de medewerker van de klusjesdienst de dienst onmiddellijk verwittigen.
Wij vragen de klant dit in zijn/haar plaats te doen als dit voor de medewerker van de klusjesdienst niet mogelijk zou zijn.
De dienst heeft een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid voor het geval de medewerker van de klusjesdienst schade toebrengt aan de bezittingen van de klant.
In dit geval moet de verantwoordelijke zo spoedig mogelijk op de hoogte gebracht worden.
De klant dient de beschadigde stukken te bewaren tot afhandeling van het dossier.
Daarnaast zal hij/zij de factuur van de herstelling of een aankoopbewijs bezorgen.
De verzekeringsmaatschappij ‘ETHIAS’ oordeelt over een eventuele schadevergoeding.
Artikel 8: Beroepsgeheim
De medewerker van de klusjesdienst respecteert de privacy, de vrijheid van opvatting en levensbeschouwing van de klant.
Hij/zij is gebonden door het beroepsgeheim.
Artikel 10 : Praktische afspraken
Wanneer de klant is ingeschreven bij de klusjesdienst en beroep wil doen op de klusjesdienst voor de uitvoering van een klus, dan moet er contact genomen worden met de planningsmedewerker. De planningsmedewerker is bereikbaar op het algemeen nummer van de sociale dienst van het OCMW, 056/67 11 50.
De aanvragen worden in principe afgewerkt in volgorde van aanvraag en volgens beschikbaarheid van de medewerkers van de klusjesdienst.
Bij slecht weer (bij buitenwerk) of in hoogdringende gevallen kan hiervan afgeweken worden.
De afgesproken taken worden in de planning van de klusjesdienst opgenomen en de klant wordt vooraf verwittigd door de dienst.
De klant dient mogelijke afwezigheid op voorhand te melden aan de planningsmedewerker van de klusjesdienst.
Zo niet, wordt een forfait aangerekend voor het werkverlet van de medewerker van de klusjesdienst.
De klant verbindt er zich toe de medewerker van de klusjesdienst niet alleen te laten in de woning tenzij anders afgesproken met de planningsmedewerker van de klusjesdienst.
Er wordt geen middagmaal aanvaard bij de klant, de medewerker van de klusjesdienst mag geen giften ontvangen.
Er mag niets uitgeleend of ontleend worden.
De medewerker van de klusjesdienst mag tijdens de uitvoering van de werken gebruik maken van het sanitair van de klant.
Roken, drinken van alcohol of privé telefoontjes tijdens het werk zijn verboden.
De werkfiche van de medewerker van de klusjesdienst dient na uitvoering van de taken voor akkoord ondertekend te worden door de klant.
Deze werkfiche wordt nadien door de medewerker van de klusjesdienst afgegeven aan de planningsmedewerker in functie van de facturatie.
De klant mag de medewerker van de klusjesdienst niet aanspreken om klussen uit te voeren buiten de werkuren.
Artikel 12 : Evaluatie/klachten
Wij streven er naar een degelijke dienstverlening aan te bieden aan onze klanten.
Het is dan ook mogelijk dat de verantwoordelijke de klant contacteert om de uitvoering van de werkzaamheden op te volgen.
Indien de klant klachten heeft of problemen ervaart bij de uitvoering van de klussen, dient onmiddellijk de verantwoordelijke gecontacteerd te worden.
Indien de dienst klachten heeft of problemen ervaart bij de uitvoering van de klussen, kan het bijzonder comité voor de sociale dienst besluit tot weigering of stopzetting van de dienstverlening nemen.
Artikel 13 : Wijziging in de situatie
De klant engageert zich om “elke” wijziging in zijn/haar situatie onmiddellijk mee te delen aan het OCMW, dat zijn/haar dossier herziet wanneer deze wijziging een invloed heeft op zijn/haar recht.
Het OCMW herziet zijn/haar dossier ook indien zijn/haar recht gewijzigd wordt door een wet of een reglementaire bepaling, of wanneer het OCMW een juridische of materiële vergissing heeft begaan, of wanneer blijkt dat de klant onvolledige of onjuiste verklaringen heeft afgelegd of de klant bepaalde verklaringen niet heeft gedaan.
Artikel 14: Inlichtingen
De klant geeft aan het OCMW de toelating om alle inlichtingen en verklaringen na te zien bij financiële instellingen, instellingen van sociale zekerheid en bij de openbare besturen.
De klant is bereid daartoe de nodige formulieren te ondertekenen.
Het OCMW engageert zich de verkregen gegevens vertrouwelijk te behandelen.
De klant verklaart ingelicht te zijn dat het OCMW zijn/haar verklaring over zijn/haar inkomsten en gezinssituatie zal controleren.
Het OCMW kan hiervoor bij financiële instellingen informatie opvragen.
Het OCMW kan ook nagaan of de klant werkt of gewerkt heeft.
Het OCMW kan ook bij instellingen van sociale zekerheid en bij andere OCMW’s navragen welke vervangingsinkomsten of eventuele achterstallen de klant geniet.
De gegevens over de inkomsten die het OCMW verkrijgt via de kruispuntbank kunnen ook opgevraagd en bekomen worden bij voornoemde instellingen.
Het toezichtscomité en de privacy-commissie hebben vastgelegd tot welke informatie het OCMW toegang krijgt.
Het OCMW kan enkel informatie opvragen, die te maken heeft met de aanvraag van de klant.
Het OCMW mag de opgevraagde informatie niet doorgeven.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking vanaf 1 maart 2026.
Er werden geen vragen ingediend.
De voorzitter sluit de zitting op 05/02/2026 om 20:23.
Namens raad voor maatschappelijk welzijn,
Carl Vereecke
algemeen directeur
Hans Claerhout
raadslid-voorzitter