De implementatie van een systeem van feedback en opvolging en gewijzigde regelgeving.
Een aantal bepalingen van de rechtspositieregeling van toepassing op het personeel van de gemeente worden aangepast:
Er is een gunstig advies van het managementteam van 16 november 2021.
Er is een protocol van akkoord van 13 december 2021 van het bijzonder onderhandelingscomité van de plaatselijke overheidsdiensten.
De termijn van de onderhandelingen werd in onderling akkoord beperkt zodat de rechtspositieregelingen tijdig goedgekeurd kunnen worden door het vast bureau.
niet van toepassing
Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, het laatst gewijzigd bij decreten van 16 juli 2021 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft versterking van de lokale democratie en tot aanpassing van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, wat de delegatie van de bevoegdheid voor het ondertekenen van authentieke akten over onroerende verrichtingen betreft.
Besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 24 september 2021 tot wijziging van artikel 136 en209 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en artikel 99 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 november 2010 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaatstelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtspositieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Besluit van de Vlaamse regering van 12 maart 2021 houdende maatregelen ten gevolge van de pandemie veroorzaakt door COVID-19 en tot wijziging van de minimale voorwaarden voor de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de provincies.
Besluit van de gemeenteraad van 7 oktober 2021 betreffende reglement tot delegatie van bevoegdheden aan het college van burgemeester en schepenen: (her-)vaststellen.
Besluit van het college van burgemeester en schepenen van 16 december 2020 betreffende rechtspositieregeling voor het personeel van de gemeente: vaststellen, het laatst gewijzigd bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van 29 september 2021 betreffende rechtspositieregeling voor het personeel van de gemeente: wijzigen.
Artikel 1
De rechtspositieregeling voor het personeel van de gemeente wordt als volgt vastgesteld:
Artikel 1.1.1.1.1.
Deze rechtspositieregeling is van toepassing op:
1. het personeel van de gemeente, zowel dat in statutair dienstverband als dat in contractueel dienstverband, tenzij met gebruik van de definities in de punten 3 tot en met 7 van artikel 1.2.1.1.1 een specifieke personeelscategorie bedoeld wordt;
2. de algemeen directeur en de financieel directeur van de gemeente, tenzij anders bepaald.
Artikel 1.2.1.1.1.
Voor de toepassing van deze rechtspositieregeling wordt verstaan onder:
1. het decreet: het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
2. rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel: het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het mandaatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3. het personeelslid: zowel het statutaire personeelslid als het contractuele personeelslid;
4. het statutaire personeelslid: zowel het vast aangestelde statutaire personeelslid als het statutaire personeelslid op proef;
5. het vast aangesteld statutaire personeelslid: elk personeelslid dat bij eenzijdig besluit van de overheid vast is aangesteld in statutair dienstverband, ook genoemd “in vast verband benoemd” in afdeling 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
6. het statutaire personeelslid op proef: elk personeelslid dat bij eenzijdig besluit van de overheid toegelaten is tot de proeftijd met het oog op een vaste aanstelling in statutair dienstverband;
7. het contractuele personeelslid: elk personeelslid dat in dienst is genomen bij arbeidsovereenkomst, conform de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
8. graad: benaming voor een groep gelijkwaardige functies of benaming voor een specifieke functie;
9. functiebeschrijving: de weergave van de functie-inhoud en van het functieprofiel, waaronder de competenties;
10. competenties: de kennis, vaardigheden, persoonlijkheidskenmerken en attitudes die nodig zijn voor de uitoefening van een functie;
11. het hoofd van het personeel: de algemeen directeur;
12. de aanstellende overheid:
13. arbeidstijdwet: de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
14. arbeidswet: de arbeidswet van 16 maart 1971;
15. jaarlijkse vakantiewet werknemers: wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971;
16. de raad: de gemeenteraad;
17. het uitvoerend orgaan van het bestuur: het college van burgemeester en schepenen.
18. Poolstok: Vlaams selectiecentrum voor het overheidspersoneel C.V.B.A., erkend extern selectiebureau.
Artikel 1.2.1.1.2.
De vergoeding voor de deskundigen, bepaald in artikel 2.3.1.1.11 en artikel 2.8.4.2.3, wordt vastgesteld op 30 euro per uur (index 148,59) en wordt verhoogd met de reiskosten conform artikel 7.5.2.1.2.
Deze vergoeding wordt niet uitbetaald aan:
Artikel 2.1.1.1.1.
In toepassing van artikel 8 van het rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel bepaalt de aanstellende overheid bij de vacantverklaring van een functie volgens welke procedure ze vervuld wordt:
Als er voor een functie een werving- of bevorderingsreserve werd aangelegd, moet de aanstellende overheid enkel de functie vacant verklaren.
Artikel 2.2.1.1.1.
Om toegang te hebben tot een functie bij het gemeentebestuur moeten de kandidaten:
1. een gedrag vertonen dat in overeenstemming is met de eisen van de functie waarvoor ze solliciteren;
2. de burgerlijke en politieke rechten genieten;
3. medisch geschikt zijn voor de uit te oefenen functie.
Voor de functies hulparbeider bibliotheek, begeleid(st)er buitenschoolse kinderopvang, ploegbaas groen, hulparbeider groen/wegen, technisch assistent gebouwen en hulparbeider schoonmaak wordt de medische geschiktheid voorafgaand aan de indiensttreding, vastgesteld door de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. Het onderzoek wordt door bemiddeling van de personeelsdienst aangevraagd.
Artikel 2.2.1.1.2.
De volgende statutaire functies zijn voorbehouden voor Belgen, omdat uit de functiebeschrijving blijkt dat ze een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten die strekken tot de bescherming van de belangen van het gemeentebestuur:
1. algemeen directeur;
2. financieel directeur;
3. coördinator omgevingsambtenaar;
4. departementshoofden;
5. afdelingshoofden;
6. deskundige groen en milieu;
7. leden van het managementteam.
Voor de overige statutaire functies moeten de kandidaten Belg of burger van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de Zwitserse Bondstaat zijn.
Voor de contractuele functies moeten de kandidaten Belg zijn als de uit te oefenen functies een rechtstreekse of onrechtstreekse deelname aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of werkzaamheden omvatten die strekken tot de bescherming van de belangen van het gemeentebestuur. Het betreft de functies van niveau A, B en de hogere graden in niveau C.
Artikel 2.2.1.1.3.
Het gedrag, vermeld in punt 1 van artikel 2.2.1.1.1, wordt getoetst aan de hand van een uittreksel uit het strafregister, dat maximum drie maanden oud is en actueel is.
Als op het uittreksel uit het strafregister ongunstige vermeldingen voorkomen, mag de kandidaat daarover een schriftelijke toelichting voorleggen, die hij / zij samen met het uittreksel uit het strafregister aan het bestuur bezorgt. De aanstellende overheid oordeelt over de inhoud van het uittreksel uit het strafregister en neemt de toelichting van de sollicitant in overweging. Bij de beoordeling houdt de aanstellende overheid rekening met
Artikel 2.2.1.1.4.
De graden worden ingedeeld in vijf niveaus. De niveaus stemmen, met uitzondering van de niveaus D en E, overeen met een diplomavereiste van een bepaald onderwijsniveau.
De niveaus en de daarmee overeenstemmende diploma’s of getuigschriften zijn:
De excel van erkende diploma’s of getuigschriften per niveau wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor de Binnenlandse Aangelegenheden, vastgesteld. Alleen de erkende diploma’s of getuigschriften op die lijst komen bij aanwerving in aanmerking.
Artikel 2.2.1.1.5.
Om in aanmerking te komen voor aanwerving moeten de kandidaten:
1. voldoen aan de vereiste over de taalkennis, opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
2. slagen voor de selectieproef;
3. voldoen aan de diplomavereiste die geldt voor het niveau waarin de functie gesitueerd is en in voorkomend geval voldoen aan de diplomavereiste opgelegd krachtens een reglementering van de hogere overheid;
4. minimaal 3 jaar relevante beroepservaring hebben voor functies in de hogere rangen van niveau A; minimaal 1 jaar relevante beroepservaring hebben voor de functies in de hogere rangen van niveau B en C en minimaal 1 jaar relevante beroepservaring hebben voor functies in de technische hogere rang van niveau D.
Relevante beroepservaring is zowel ervaring bij een overheid, als in de privésector of als zelfstandige.
Artikel 2.2.1.1.6.
In uitzonderlijke gevallen kan de aanstellende overheid bij de vacantverklaring gemotiveerd op grond van vooraf vastgestelde, objectieve criteria afwijken van de diplomavereiste op voorwaarde dat:
Artikel 2.2.1.1.7.
In toepassing van artikel 2.2.1.1.6 beslist de aanstellende overheid vóór de vacantverklaring van de functie om geen diplomavereiste op te leggen.
Het besluit om geen diplomavereiste op te leggen, moet steunen op objectieve criteria, als:
Artikel 2.2.1.1.8.
Het personeelslid dat tewerkgesteld is in een deeltijdse functie nadat het geslaagd is voor selectieproeven, is vrijgesteld van nieuwe selectieproeven wanneer de wekelijkse prestaties binnen die functie uitgebreid worden of wanneer de functie voltijds wordt. Als meerdere personeelsleden deeltijds werken in een betrekking van dezelfde graad, richt de aanstellende overheid een oproep tot die personeelsleden voor de vervulling van de extra uren en ze maakt een keuze op basis van een vergelijking van de kandidaturen.
Artikel 2.2.1.1.9.
In afwijking van artikel 2.2.1.1.5 punt 2, kan een kandidaat die eerder heeft deelgenomen aan een gelijkwaardige selectieprocedure, voor een functie bij de gemeente in dezelfde graad als de vacante functie gedeeltelijk of volledig vrijgesteld worden van de deelname aan de selectie als hij daarvoor al slaagde of geschikt werd bevonden. Er mag maximum drie jaar tussen datum laatste proces-verbaal selectie en datum besluit vacant verklaring zijn.
Voor de nieuwe selectie gelden in dat geval de resultaten die de kandidaat behaalde voor de eerder afgelegde overeenstemmende proeven.
Deze vrijstelling kan niet ingeroepen worden voor het mondelinge selectiegedeelte.
Met uitzondering van een vrijstelling voor het assessment (dat automatisch van toepassing is), moet de kandidaat zich uitdrukkelijk op deze vrijstelling beroepen. De kandidaat vraagt schriftelijk de gedeeltelijke of volledige vrijstelling aan de aanstellende overheid bij zijn kandidaatstelling. Die beslist over de vrijstelling en deelt het besluit schriftelijk mee aan de kandidaat en aan de selectiecommissie.
Artikel 2.2.1.1.10.
De aanstellende overheid stelt in bijlage III de aanvullende aanwervingsvoorwaarden vast.
Artikel 2.2.2.1.1.
De aanstellende overheid beslist of een vacante betrekking wordt open verklaard. Met behoud van de toepassing van de specifieke regels per procedure wordt een vacante betrekking, ongeacht haar rangindeling, vervuld op een van de volgende manieren;
In dit besluit vermeldt de aanstellende overheid tevens of een wervings- of bevorderingsreserve zal worden aangelegd en de duur ervan.
Artikel 2.2.2.1.2.
Aan elke aanwerving gaat een externe en interne bekendmaking van de vacature met een oproep tot kandidaten vooraf.
De vacature wordt extern bekendgemaakt via de gemeentelijke website en eventueel één of meerdere van de overige externe bekendmakingskanalen.
De aanstellende overheid kiest de meest passende/geschikte wijze van de externe bekendmaking uitgezonderd:
Mogelijke externe bekendmakingskanalen zijn websites (VDAB, …), het gemeentelijk infoblad, twitter, facebook, digitale infoborden, uithangborden, digitale infoschermen, regionale kranten, nationale kranten, …………
De vacature wordt daarnaast ook intern bekendgemaakt en kandidaten uit het vrijwillig sollicitantenbestand, vroegere werknemers of stagiairs en scholen kunnen worden gecontacteerd. Mogelijke interne bekendmakingskanalen zijn: het intranet, uithangborden, digitale infoschermen, e-mail, brief,…..
Artikel 2.2.2.1.3.
Het vacaturebericht bevat ten minste:
Artikel 2.2.2.1.4.
Tussen de bekendmaking van een vacature en de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen, verlopen minstens veertien kalenderdagen. De dag van de bekendmaking van de vacature is niet in de termijn begrepen, de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen wel.
Als de uiterste datum op een zaterdag, zondag of feestdag valt, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
Artikel 2.2.2.1.5.
De datum van ontvangst van de kandidaturen wordt beschouwd als de datum waarop de kandidaturen zijn ingediend.
Artikel 2.2.2.1.6.
Aan elke aanwerving gaat een selectieprocedure vooraf.
Artikel 2.2.2.1.7.
Tenzij anders bepaald, moeten de kandidaten voor de deelname aan de selectieprocedure voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de aanwervingsvoorwaarden, de selectie uitgezonderd. Ze leveren het bewijs daartoe aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 2.2.2.1.8. en artikel 2.2.2.1.11.
Artikel 2.2.2.1.8.
Voor de functies waarbij een diploma vereist is, levert de kandidaat het bewijs van diplomavereiste op straffe van uitsluiting van het examen op de uiterste datum gesteld voor het indienen van de kandidaturen.
Een kopie van het diploma volstaat als bewijsstuk voor deelname aan de selectieprocedure.
In afwijking van het 1ste lid worden laatstejaarsstudenten tot de selectieprocedure toegelaten als ze met hun kandidatuur een studiebewijs voorleggen en een verklaring dat ze binnen een termijn van 3 maanden zullen deelnemen aan de eindexamens voor het behalen van hun diploma. Ze leveren het bewijs dat ze voldoen aan de diplomavereiste voor de aanstelling.
Artikel 2.2.2.1.9.
De aanstellende overheid beoordeelt de geldigheid van de voorgelegde diploma’s. Als de gemeenteraad de aanstellende overheid is voor de betrekking, beslist het college van burgemeester en schepenen daarover.
Artikel 2.2.2.1.10.
De kandidaten die niet aan de diplomavereiste voldoen worden definitief uitgesloten van de selectieprocedure. De aanstellende overheid deelt die weigering zonder uitstel vooraf schriftelijk mee. Als de gemeenteraad de aanstellende overheid is voor de betrekking, deelt het college van burgemeester en schepenen de weigering mee.
Artikel 2.2.2.1.11.
De geslaagde of geschikt bevonden kandidaten leveren na de selectie en voor de aanstelling de bewijsstukken dat ze voldoen aan de algemene toelatings- en aanwervingsvoorwaarden en zo nodige aan de specifieke voorwaarden.
Artikel 2.2.2.1.12.
De aanstellende overheid beoordeelt de geldigheid van de voorgelegde bewijsstukken, tenzij de gemeenteraad de aanstellende overheid is. In dat geval beoordeelt het college van burgemeester en schepenen de geldigheid ervan.
Artikel 2.2.2.1.13.
In afwijking van artikel 2.2.2.1.11 worden kandidaten die aan alle aanwervingsvoorwaarden voldoen behalve aan de voorwaarde van een aanvullende opleiding tot de selectieprocedure toegelaten, als de aanwervingsvoorwaarden bepalen dat ze het attest of getuigschrift van de aanvullende opleiding voor de afloop van de proeftijd of voor de contractuelen binnen de kortst mogelijke periode na indiensttreding moeten behalen in toepassing van artikel 2.7.2.1.4.
Artikel 2.3.1.1.1.
De selectie wordt uitgevoerd op basis van selectiecriteria en met behulp van een of meer selectietechnieken. De selectiecriteria en de selectietechnieken worden afgestemd op de functiebeschrijving van de functie. Voor de functies van dezelfde graad zijn de selectietechnieken gelijkwaardig.
Artikel 2.3.1.1.2.
De algemeen directeur stelt de functiebeschrijving vast.
Deze bepaling geldt niet voor de functiebeschrijving van algemeen directeur en financieel directeur.
De functiebeschrijving bevat volgende punten:
° departement;
° afdeling;
° dienst;
° directe leidinggevende;
Artikel 2.3.1.1.3.
De selecties worden uitgevoerd door een selectiecommissie.
Artikel 2.3.1.1.4.
De aanstellende overheid kan beslissen om de selecties geheel of gedeeltelijk uit te besteden aan Poolstok of een ander erkend extern selectiebureau. Het erkend extern selectiebureau voert de selectie uit in overeenstemming met de rechtspositieregeling en met de opdracht.
Artikel 2.3.1.1.5.
Het bestuur kan een preselectie organiseren vanaf 20 kandidaten. Enkel kandidaten die hun deelname aan de preselectie bevestigen tegen de vooropgestelde datum worden toegelaten tot de preselectie.
Artikel 2.3.1.1.6.
Indien een preselectie werd gehouden, worden de geslaagde kandidaten toegelaten tot de verdere selectieprocedure.
Artikel 2.3.1.1.7.
Punten die een kandidaat behaalde in een eventuele preselectieproef worden niet meegeteld voor de rangschikking van de kandidaten. Zij worden enkel gehanteerd om de kandidaten al dan niet toe te laten tot de verdere selectieprocedure
Artikel 2.3.1.1.8.
Na de eventuele preselectie zijn één of meerdere van volgende selectietechnieken mogelijk:
Artikel 2.3.1.1.9.
Indien de selectie geheel wordt uitbesteed aan een erkend extern selectiebureau zijn de onderstaande bepalingen over de selectiecommissie niet van toepassing.
Artikel 2.3.1.1.10.
De selectiecommissie wordt samengesteld door de aanstellende overheid.
Artikel 2.3.1.1.11.
Voor de samenstelling van de selectiecommissies gelden de volgende algemene regels:
De aanstellende overheid en de algemeen directeur, als die de bevoegdheid van aanstellende overheid bij delegatie gekregen heeft, kunnen, evenals de representatieve vakorganisaties wel als waarnemer op het examen aanwezig zijn. Zij mogen niet aanwezig zijn bij het kiezen van de vragen en het delibereren over de uitslag van de examens.
Artikel 2.3.1.1.12.
De leden van de selectiecommissie worden nominatief door de aanstellende overheid aangesteld. Zij kiezen in hun midden een voorzitter. Een door de algemeen directeur aangesteld personeelslid is de secretaris van de selectiecommissie.
Artikel 2.3.1.1.13.
O.a. psychotechnische proeven, assessments en andere tests worden afgenomen door een erkend extern selectiebureau of door een persoon die daartoe bevoegd is conform het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling en het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2010 tot uitvoering van het decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling.
Artikel 2.3.1.1.14.
De selectiecommissie kan geldig beraadslagen wanneer de meerderheid van de leden aanwezig is. De besluiten worden bij eenvoudige meerderheid genomen.
Artikel 2.3.1.1.15.
Bij bloed- of aanverwantschap tot en met de tweede graad, tussen een lid van de selectiecommissie en een kandidaat, wordt het lid van de selectiecommissie vervangen.
Artikel 2.3.1.1.16.
De leden van de selectiecommissies respecteren de volgende gedragsregels en wettelijke voorschriften bij selecties:
Artikel 2.3.1.1.17.
De kandidaten moeten voor iedere selectietechniek vijftig procent van de punten behalen of bij de psychotechnische proef, de competentieproef of het assessment geschikt worden bevonden, om tot een volgende selectietechniek in de selectieprocedure toegelaten te worden volgens de rangorde van de selectietechnieken die vooraf werden vastgesteld.
Artikel 2.3.1.1.18.
De selectieprocedures resulteren in een bindende rangschikking van de geslaagde of geschikt bevonden kandidaten in volgorde van de behaalde punten of scores.
Artikel 2.3.2.1.1.
De aanstellende overheid stelt de concrete selectieprocedure vast voor de aanvang ervan en zorgt voor de organisatie van de selecties.
Artikel 2.3.2.1.2.
Binnen de grenzen van de bepalingen in dit hoofdstuk, bepaalt de aanstellende overheid bij de vacantverklaring van een betrekking:
Artikel 2.3.2.1.3.
Als de aanstellende overheid kiest voor een combinatie van de aanwervingsprocedure en de bevorderingsprocedure en de gelijktijdige toepassing daarvan, worden de externe en de interne kandidaten onderworpen aan dezelfde selectieproeven. Eventuele schriftelijke kennisproeven met dezelfde inhoud worden op hetzelfde tijdstip afgenomen.
Voor de toepassing van artikel 2.2.1.1.6., behelst de selectieprocedure naast één of meerdere functiegerichte competentietest ook een niveau of capaciteitstest die onderzoekt of de kandidaten in staat zijn te functioneren op het niveau waarin de functie is gesitueerd. De kandidaten moeten zowel voor de niveau- of capaciteitstest als voor de functiegerichte competentietests slagen. Die tests wordt afgenomen door een erkend selectiebureau conform het decreet van 10 december 2010 betreffende de private arbeidsbemiddeling en het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2010 tot uitvoering van het decreet betreffende de private arbeidsbemiddeling.
De aanstellende overheid kan beslissen dat de kandidaat die een attest of getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij voor dezelfde of voor een vergelijkbare functie bij dezelfde of bij een andere overheid al eerder geslaagd is voor een niveau- of capaciteitstest als vermeld in het tweede lid, het gunstige resultaat daarvan behoudt en wordt vrijgesteld van een nieuwe deelname aan een niveau- of capaciteitstest. De geldigheidsduur van de reeds afgelegde niveau- en capaciteitstest wordt vastgelegd op vijf jaar.
Artikel 2.3.2.1.4.
De kandidaten worden van het verloop van de selectieprocedure op de hoogte gebracht.
Artikel 2.3.2.1.5.
De kandidaten worden ten minste zeven kalenderdagen vooraf schriftelijk op de hoogte gebracht van de datum en het uur waarop, en de plaats waar de eerste selectieproef wordt afgenomen. Dat gebeurt via brief of e-mail, volgens de keuze van het communicatiemiddel dat de kandidaat heeft meegedeeld.
Als de selectieproef een preselectie bevat, worden de kandidaten daarvan op de hoogte gebracht.
Artikel 2.3.2.1.6.
De selectiecommissie maakt voor elke selectietechniek een verslag op. Het verslag vermeldt per kandidaat het resultaat.
De selectiecommissie maakt bij de afsluiting van de selectieprocedure een eindverslag op met vermelding van de deelresultaten van de kandidaten en van hun eindresultaat.
Artikel 2.3.2.1.7.
De kandidaten worden schriftelijk op de hoogte gebracht van het resultaat van de selectie. Kandidaten hebben op hun verzoek toegang tot de selectieresultaten in overeenstemming met de bepalingen van het bestuursdecreet van 7 december 2018.
Artikel 2.3.3.1.1.
De aanstellende overheid beslist bij de vacantverklaring of er al dan niet een wervingsreserve wordt aangelegd, voor welke functie(s) deze geldt en hoe lang die geldig is. De geldigheidsduur van de wervingsreserve, met inbegrip van eventuele verlenging, bedraagt ten hoogste 24 maanden.
Artikel 2.3.3.1.2.
De geldigheidsduur van de wervingsreserve vangt aan vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van het eindrapport van de selectie.
Artikel 2.3.3.1.3.
Alle geslaagde of geschikt bevonden kandidaten worden in de wervingsreserve opgenomen en gerangschikt volgens hun behaalde resultaat.
Artikel 2.3.3.1.4.
De aanstellende overheid kan geen nieuwe aanwervingsprocedure organiseren zolang er voor dezelfde functie en/of graad nog kandidaten opgenomen zijn in een daarvoor nog geldige wervingsreserve.
De aanstellende overheid moet bij het invullen van een vacante functie eerst de oudste nog geldige wervingsreserve voor deze functie aanspreken. Zijn er geen geïnteresseerde kandidaten meer dan wordt de chronologisch volgende wervingsreserve aangesproken.
Artikel 2.3.3.1.5.
Na een vergelijkende selectie wordt telkens de eerst gerangschikte kandidaat van de wervingsreserve het eerst geraadpleegd om de vacature te vervullen.
Artikel 2.3.3.1.6.
De kandidaten die zijn opgenomen in een wervingsreserve worden hieruit geschrapt:
1. indien ze aangesteld worden;
2. na ontslag;
3. bij een negatieve beoordeling na een eerdere tewerkstelling in dezelfde functie (afdeling 2.4.2.);
4. op eigen verzoek;
5. indien ze een tweede maal aan een aangeboden passende betrekking verzaken;
6. indien ze niet binnen de gevraagde termijn reageren wanneer hen een functie wordt aangeboden;
De kandidaten die uit een wervingsreserve worden geschrapt, worden hiervan schriftelijk verwittigd.
Kandidaten kunnen weigeren en hun rangschikking in de werfreserve behouden indien hun een functie in een ander statuut of een tewerkstelling van een kortere termijn of een andere functie, dan deze waarvoor oorspronkelijk gesolliciteerd werd, aangeboden wordt, op voorwaarde dat zij binnen de gevraagde termijn hun weigering in die zin motiveren.
Artikel 2.3.4.1.1.
De gemeenteraad stelt de functiebeschrijving vast voor de functies van algemeen directeur en financieel directeur.
Artikel 2.3.4.1.2.
Als de functie van algemeen directeur of financieel directeur door aanwerving vervuld wordt, moet de kandidaat houder zijn van een diploma dat toegang geeft tot niveau A.
Artikel 2.3.4.1.3.
De selectie voor de aanwerving in de functies van algemeen directeur en financieel directeur wordt uitbesteed aan Poolstok of een ander erkend extern selectiebureau conform de bepalingen van hoofdstuk 2.3.
Artikel 2.3.4.1.4.
De selectie wordt uitgevoerd op basis van de selectiecriteria en met behulp van tenminste vier selectietechnieken. De selectiecriteria en selectietechnieken zijn afgestemd op de functiebeschrijving.
Artikel 2.3.4.1.5.
De selectietechnieken voor de functie van algemeen directeur bevatten in elk geval een test die de management- en leiderschapscapaciteiten van de kandidaten toetst.
Artikel 2.3.4.1.6.
De selectietechnieken voor de functie van financieel directeur bevatten in elk geval een test die het financieel-economisch inzicht van de kandidaten toetst.
Artikel 2.4.1.1.1.
Voor de aanwerving in contractuele betrekkingen, die ingesteld worden ter uitvoering van werkgelegenheidsmaatregelen van de hogere overheden geldt het volgende.
De aanstellende overheid doet een oproep tot kandidaten voor de vacatures voor die betrekkingen op de volgende wijze:
Artikel 2.4.1.1.2.
De aanstellende overheid nodigt de kandidaten uit die voldoen aan de algemene toelatings- en aanwervingsvoorwaarden, inclusief de diplomavereiste en in aanmerking komen voor deelname aan de selectieprocedure.
Artikel 2.4.1.1.3.
De selectie toetst de bekwaamheid van de kandidaten voor de functie.
Artikel 2.4.1.1.4.
De selectie wordt uitgevoerd conform afdeling 2.3.1. en afdeling 2.3.2.
Artikel 2.4.2.1.1.
Deze afdeling is van toepassing voor tijdelijke vervangingen van zwangerschaps- en ziekteverlof, voor de tijdelijke vervangingen voor thematische verloven en andere afwezigheden en voor de aanwerving in contractuele betrekkingen waarvan de tewerkstellingsduur tot maximaal twee jaar beperkt is.
Artikel 2.4.2.1.2.
Indien er een lopende wervingsreserve voor de functie en/of graad bestaat, put de aanstellende overheid uit deze wervingsreserve, uitgezonderd wanneer geen enkele van de nog op de wervingsreserve opgenomen kandidaten op de aangeboden functie wenst in te gaan.
De kandidaten worden geraadpleegd in volgorde van hun rangschikking en tegen de voorwaarde dat ze op korte termijn beschikbaar zijn.
Artikel 2.4.2.1.3.
Indien er geen wervingsreserve bestaat, geldt de hierna volgende procedure.
De aanstellende overheid doet een oproep tot kandidaten voor de vacatures voor die betrekkingen op de volgende wijze:
Artikel 2.4.2.1.4.
In afwijking van artikel 2.3.1.1.18. kan de aanstellende overheid de selectietechnieken beperken tot één.
Artikel 2.4.2.1.5.
In afwijking van artikel 2.3.1.1.11. kan de selectiecommissie bestaan uit:
De aanstellende overheid kan ook beslissen om de selecties geheel of gedeeltelijk uit te besteden aan Poolstok of een ander erkend extern selectiebureau.
Artikel 2.4.2.1.6.
De leden van de selectiecommissie worden nominatief door de aanstellende overheid aangesteld. Zij kiezen in hun midden een voorzitter. Een door de algemeen directeur aangesteld personeelslid is de secretaris van de selectiecommissie.
Artikel 2.4.2.1.7.
De kandidaten bezorgen een brief met bijhorend curriculum vitae binnen de gevraagde termijn.
De aanstellende overheid nodigt de kandidaten uit die voldoen aan de algemene toelatings- en aanwervingsvoorwaarden, inclusief de diplomavereiste en in aanmerking komen voor deelname aan de selectieprocedure.
Artikel 2.4.2.1.8.
De selectie toetst de bekwaamheid van de kandidaten voor de functie.
Artikel 2.4.2.1.9.
De kandidaten worden op de hoogte gebracht van het resultaat van de selectie. Aan de geschikt bevonden kandidaten wordt gevraagd de bewijsstukken dat ze aan alle voorwaarden voldoen te bezorgen binnen een bepaalde termijn.
Artikel 2.4.2.1.10.
De artikelen 2.3.1.1.17 en 2.3.1.1.18 zijn van toepassing. De kandidaten worden in een bindende volgorde volgens het aantal punten opgenomen.
De aanstellende overheid kiest een kandidaat uit de geschikt bevonden kandidaten die de gevraagde bewijsstukken bezorgd hebben en waarbij de rangschikking opgesteld door de selectiecommissie wordt gerespecteerd.
Artikel 2.4.2.1.11.
De periode van vervanging kan uitgebreid worden bij andere afwezigheden die onmiddellijk aansluiten op de oorspronkelijke afwezigheid van het personeelslid.
Artikel 2.4.3.1.1.
Deze afdeling is van toepassing voor de tewerkstelling van studenten.
Artikel 2.4.3.1.2.
De aanstellende overheid doet een oproep tot kandidaten voor de vacatures voor die betrekkingen via de gemeentelijke website, twitter en facebook, het gemeentelijk infoblad, de digitale infoborden, de digitale infoschermen of het intranet. Het sollicitantenbestand studenten kan worden geraadpleegd en affiches uitgehangen in de gemeentelijke gebouwen alsook in de gebouwen van het OCMW. Vroegere jobstudenten of stagiairs en scholen kunnen worden gecontacteerd.
Artikel 2.4.3.1.3.
De kandidaturen worden ingediend binnen de vooropgestelde termijn via het sollicitatieformulier jobstudenten.
Artikel 2.4.3.1.4.
De selectie gebeurt op basis van de screening van het sollicitatieformulier jobstudenten. Bij de screening wordt rekening gehouden met criteria. De criteria zijn o.a.
Artikel 2.4.3.1.5.
De aanstellende overheid bepaalt bij de vacantverklaring per functie de volgorde van de criteria.
Artikel 2.4.3.1.6.
De aanstellende overheid kiest een kandidaat uit de geschikt bevonden kandidaten. De kandidaten worden op de hoogte gebracht van het besluit.
Artikel 2.4.3.1.7.
Er wordt een wervingsreserve aangelegd voor één jaar.
Indien bepaalde vakantiejobs niet kunnen ingevuld worden, kan de aanstellende overheid uit de wervingsreserve kandidaten van andere functies kiezen.
Artikel 2.4.3.1.8.
Tijdens het jaar kan er voor bepaalde diensten binnen het bestuur een beroep gedaan worden op studenten. Deze worden gecontacteerd uit de wervingsreserve en/of zijn studenten met een positieve evaluatie tijdens hun vorige vakantiejob of een gunstige stagebeoordeling bij het bestuur.
Artikel 2.4.3.1.9.
Jobstudenten die tewerkgesteld worden in de buitenschoolse kinderopvang moeten zoals vermeld in artikel 2.2.1.1.3 een uittreksel uit het strafregister, dat drie maanden oud is en actueel is, binnenbrengen.
Artikel 2.5.1.1.1.
Ten minste 2 % van het totale aantal personeelsleden binnen het bestuur, uitgedrukt in voltijdse equivalenten, bestaat uit personen met een arbeidshandicap die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
Artikel 2.5.1.1.2.
De kandidaten moeten voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aanwervingsvoorwaarden bepaald in afdeling 2.2.1. evenals aan de eventuele specifieke voorwaarden.
Bij de toepassing van de selectieproeven worden de hinderpalen die verbonden zijn met de handicap, door aangepaste faciliteiten aan hun specifieke arbeidshandicap verholpen.
Artikel 2.6.1.1.1.
De aanstellende overheid bepaalt de datum van indiensttreding van het geselecteerde personeelslid.
Artikel 2.6.1.1.2.
Indien het geselecteerde personeelslid wegens een opzeggingstermijn bij een andere werkgever of wegens een andere geldige reden niet onmiddellijk in dienst kan treden, bepaalt de aanstellende overheid deze datum in onderling overleg met het geselecteerde personeelslid. Indien er geen overeenkomst is over de datum van indiensttreding is artikel 2.6.1.1.1. van toepassing.
Artikel 2.6.1.1.3.
Behalve in het geval van overmacht, wordt een kandidaat die niet in dienst treedt binnen de vastgestelde termijn, geacht definitief aan zijn aanstelling te verzaken.
Artikel 2.6.1.1.4.
In toepassing van het decreet leggen de algemeen directeur en de financieel directeur voor ze hun ambt opnemen tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad de volgende eed af in handen van de voorzitter: “Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen”.
De weigering tot eedaflegging staat gelijk met het verzaken aan de aanstelling.
Artikel 2.6.1.1.5.
In toepassing van het decreet leggen de personeelsleden bij hun indiensttreding de volgende eed af in handen van de burgemeester: ”Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw na te komen”. De algemeen directeur staat in voor de organisatie van de eedaflegging.
De weigering tot eedaflegging staat gelijk met het verzaken aan de aanstelling. Van de eedaflegging of de weigering ervan wordt een proces-verbaal opgemaakt.
Artikel 2.7.1.1.1.
De proeftijd voor statutairen op proef en de inwerktijd voor contractuele personeelsleden beogen de integratie van het personeelslid in het gemeentebestuur en de inwerking in zijn functie en stelt de aanstellende overheid in staat de geschiktheid van het personeelslid voor de functie te verifiëren.
Artikel 2.7.1.1.2.
De leidinggevende van het personeelslid maakt onder de eindverantwoordelijkheid van de algemeen directeur de concrete afspraken voor de actieve inwerking van het personeelslid in zijn functie en zijn integratie in de gemeentelijke diensten.
Artikel 2.7.1.1.3.
De functiebeschrijving en de beoordelingscriteria die van toepassing zijn voor de beoordeling van de proeftijd/ inwerktijd worden schriftelijk bezorgd de dag van de indiensttreding.
De afspraken, evenals de vorming die nodig is voor de uitoefening van de functie en de beoordelingscriteria die van toepassing zijn voor de beoordeling van de proeftijd of inwerktijd, worden uiterlijk binnen een termijn van tien werkdagen na indiensttreding geconcretiseerd in een gesprek met het personeelslid.
Artikel 2.7.2.1.1.
De duur van de proeftijd/inwerktijd is:
Artikel 2.7.2.1.2.
Voor de berekening van de duur van de proeftijd/inwerktijd worden in aanmerking genomen:
Artikel 2.7.2.1.3.
De proeftijd/inwerktijd wordt verlengd met de duur van de schorsingen, als het totale aantal afwezigheden, met uitzondering van die vermeld in artikel 2.7.2.1.2. meer is dan:
Artikel 2.7.2.1.4.
Als de voorwaarden bepalen dat de kandidaten tijdens de proeftijd/inwerktijd een attest of getuigschrift kunnen behalen, dan wordt de proeftijd/inwerktijd in afwijking van artikel 2.7.2.1.1 vastgesteld rekening houdend met de normale studieduur die nodig is om het attest of getuigschrift te behalen.
Artikel 2.7.2.1.5.
De diensten die een kandidaat ononderbroken tot de datum van zijn statutaire aanstelling op proef in tijdelijk verband bij het bestuur heeft vervuld in dezelfde functie als de functie waarin hij aangesteld wordt, kunnen worden in aanmerking genomen voor de proeftijd, op voorwaarde dat het personeelslid daarvoor een gunstig beoordelingsresultaat heeft gekregen.
Artikel 2.7.2.1.6.
Het personeelslid wordt beoordeeld door de eerste en tweede beoordelaar zoals vastgelegd in het besluit van de algemeen directeur.
Artikel 2.7.2.1.7.
Het personeelslid krijgt tijdens zijn proeftijd/ inwerktijd feedback over zijn manier van functioneren. Bij aanwerving is er een startgesprek met de leidinggevende. Na maximaal drie maand en / of op vraag van de medewerker of leidinggevende vindt een waarderingsgesprek voor nieuwe medewerkers plaats tussen leidinggevende en medewerker. Dit gebeurt aan de hand van het daarvoor voorziene sjabloon.
Indien er geen breekpunten zijn volgt er, 2 weken voor het einde van de inwerktijd / proeftijd, een beoordelingsgesprek nieuwe medewerker. Dit gebeurt aan de hand van het daarvoor voorziene sjabloon.
Indien er breekpunten zijn volgt na minimaal 3 maand een beoordelingsgesprek nieuwe medewerker tussen de beoordelaars en medewerker. Dit gebeurt aan de hand van het daarvoor voorziene sjabloon.
Wanneer het personeelslid bij het waarderingsgesprek nieuwe medewerker breekpunten heeft worden afspraken gemaakt over het verbeteren van het functioneren met het oog op de beoordeling op het einde van de proeftijd / inwerktijd.
Medewerker en / of leidinggevende kunnen een extra waarderingsgesprek voor nieuwe medewerkers vragen tussendoor.
De leidinggevende maakt verslag op van het waarderingsgesprek nieuwe medewerker a.d.h.v. het sjabloon ‘waarderingsgesprek nieuwe medewerker’. Het verslag wordt door medewerker en leidinggevende ondertekend voor ontvangen en kan optioneel door medewerker en leidinggevende ondertekend worden voor akkoord met de afspraken. Dit sjabloon is tevens de basis voor de inhoud van het waarderingsgesprek nieuwe medewerkers.
Er kunnen indien nodig aandachtspunten en breekpunten genoteerd worden in het verslag. Aandachtspunten geven aan waar de medewerker verder in kan groeien. Breekpunten zorgen ervoor dat het goede functioneren van de medewerker en/of het team en/of de organisatie in het gedrang komt.
Artikel 2.7.2.1.8.
Twee weken voor het beëindigen van de proeftijd / inwerktijd vindt een beoordelingsgesprek nieuwe medewerker plaats. Dit gebeurt aan de hand van het daarvoor voorziene sjabloon.
Na het beoordelingsgesprek stellen de beoordelaars de beoordeling van de proeftijd / inwerktijd vast in een kwalitatief beschrijvend verslag dat het resultaat afdoende onderbouwt. Het resultaat is gunstig of ongunstig.
De eerste en tweede beoordelaar streven naar een consensus over de eindconclusie van de beoordeling. Het standpunt van de beoordelaar met de hoogste rang is doorslaggevend, als de twee beoordelaars niet tot overeenstemming komen over het beoordelingsresultaat.
Artikel 2.7.2.1.9.
Het personeelslid dat een ongunstige beoordeling nieuwe medewerker krijgt wordt ontslagen.
Het ontslag wordt gegeven in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk 5.2. De aanstellende overheid hoort het personeelslid vooraf.
Artikel 2.7.2.1.10.
De beoordelaars kunnen een verlenging van de proeftijd / inwerktijd voorstellen, als uit de eindbeoordeling blijkt dat de duur van de proeftijd / inwerktijd niet volstaat om tot een gefundeerd beoordelingsresultaat te komen.
In voorkomend geval wordt het voorstel van verlenging gemotiveerd. De verlenging kan niet geweigerd worden.
Artikel 2.7.2.1.11.
De verlenging kan eenmaal worden toegepast voor de helft van de duur van de proeftijd / inwerktijd die werd vastgesteld in artikel 2.7.2.1.1.
De aanstellende overheid neemt akte van de verlenging van de proeftijd/inwerktijd.
Artikel 2.7.2.1.12.
Na afloop van de proeftijd behoudt het statutaire personeelslid op proef zijn hoedanigheid van op proef aangesteld personeelslid, tot de aanstellende overheid uiterlijk binnen de drie maanden beslist over de vaste aanstelling of het ontslag.
Artikel 2.7.2.1.13.
Zoals vermeld in artikel 5.2.1.1.1. kan het statutaire personeelslid op proef dat tijdens de proeftijd na aanwerving in totaal gedurende drie maanden afwezig is wegens ziekte of invaliditeit, ontslagen worden.
Artikel 2.7.2.1.14.
Dit artikel betreft personeelsleden die aangesteld zijn met een contract voor onbepaalde duur. Na een waarderingsgesprek voor nieuwe medewerkers met breekpunten wordt na minimum 3 maand een beoordelingsgesprek nieuwe medewerker gevoerd. Bij een ongunstige beoordeling tijdens de inwerktijd wordt het personeelslid ontslagen overeenkomstig de Wet op de Arbeidsovereenkomsten. De aanstellende overheid hoort het personeelslid vooraf.
Tijdens de inwerktijd kan het personeelslid steeds wegens dringende reden worden ontslagen overeenkomstig de Wet op de Arbeidsovereenkomsten.
Artikel 2.7.2.1.15.
Dit artikel betreft personeelsleden die aangesteld zijn met een contract voor bepaalde duur waarvan de duur minstens 6 maand bedraagt, rekening houdend met de duur van eventuele verlengingen of de totaliteit van de duurtijd van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten. Na een waarderingsgesprek met breekpunten volgt na minimum 3 maand een beoordelingsgesprek nieuwe medewerker. Bij een ongunstige beoordeling wordt het personeelslid ontslagen overeenkomstig de Wet op de Arbeidsovereenkomsten. De aanstellende overheid hoort het personeelslid vooraf.
Artikel 2.7.3.1.1.
Het statutaire personeelslid op proef wordt vast aangesteld in statutair verband, op voorwaarde dat het:
Artikel 2.7.3.1.2.
Het personeelslid wordt vast aangesteld in statutair verband in de functie waarin het op proef werd aangesteld. De vaste aanstelling gebeurt uiterlijk binnen een termijn drie maanden na afloop van de proeftijd en gaat in op de datum waarop de proeftijd effectief verstreken is.
Artikel 2.8.1.1.1.
De afdeling 2.8.1. tot en met afdeling 2.8.4. zijn niet van toepassing op de beoordeling van de algemeen directeur en de financieel directeur.
Artikel 2.8.1.1.2.
De personeelsleden hebben tijdens hun loopbaan recht op feedback en worden beoordeeld wanneer dit nodig is. De basis van het systeem is continue, dagdagelijkse feedback. Jaarlijks is er minstens 1 waarderingsgesprek. Slechts bij slecht functioneren wordt overgegaan tot beoordeling. Bij beoordeling wordt een oordeel geformuleerd over de manier waarop een personeelslid functioneert.
Artikel 2.8.1.1.3.
De personeelsleden worden beoordeeld op ambtelijk niveau.
Artikel 2.8.1.1.4.
Onverminderd de regeling van de gevolgen van de beoordeling in onderafdeling 2.8.3.2., neemt de algemeen directeur naar aanleiding van de beoordeling in voorkomend geval de passende maatregelen met het oog op het verbeteren van de wijze waarop het betrokken personeelslid functioneert.
Artikel 2.8.1.1.5.
De algemeen directeur zorgt voor de interne organisatie van de beoordelingen binnen de bepaalde termijnen.
Artikel 2.8.1.1.6.
De beoordelaars leggen de beoordeling vast in een kwalitatief beschrijvend beoordelingsverslag dat het resultaat op afdoende wijze onderbouwt.
Artikel 2.8.1.1.7.
De personeelsleden worden geïnformeerd over alle aspecten van het systeem van waarderen en beoordelen en over de beoordelingscriteria die op hen van toepassing zijn. Dit houdt o.a. in dat zij in het bezit gesteld worden van hun functiebeschrijving.
Artikel 2.8.1.1.8.
De waardering van medewerkers na de proeftijd of inwerktijd neemt volgende vorm aan:
Er is dagdagelijkse, continue feedback tussen leidinggevende en medewerker.
Jaarlijks is er een waarderingsgesprek tussen de direct leidinggevende en de medewerker. Indien medewerker en/of leidinggevende hierom vragen kan een bijkomend waarderingsgesprek gevoerd worden.
Er kunnen indien nodig aandachtspunten en breekpunten genoteerd worden in het verslag. Aandachtspunten geven aan waar de medewerker verder in kan groeien. Breekpunten zorgen ervoor dat het goede functioneren van de medewerker en/of het team en/of de organisatie in het gedrang komt. Wanneer er zich breekpunten voordoen volgt na minimaal 3 en maximaal 12 maanden een extra waarderingsgesprek (zie artikel 2.8.1.1.9.)
Indien er zich geen breekpunten voordoen blijft de medewerker in het waarderingssysteem en is er jaarlijks een waarderingsgesprek, naast de dagdagelijkse, continue feedback.
De leidinggevende maakt verslag op van het waarderingsgesprek a.d.h.v. het sjabloon ‘waarderingsgesprek’. Het verslag wordt door medewerker en leidinggevende ondertekend voor ontvangen en kan optioneel door medewerker en leidinggevende ondertekend worden voor akkoord met de afspraken.
Dit sjabloon is tevens de basis voor de inhoud van het waarderingsgesprek.
Centraal in de waardering staan volgende zes thema’s:
In het waarderingsgesprek worden afspraken gemaakt voor de toekomst, worden desgevallend te behalen resultaten geformuleerd en wordt desgevallend gedefinieerd welke opleiding / ondersteuning de medewerker krijgt.
Artikel 2.8.1.1.9.
Minimum 3 en maximum 12 maand na een waarderingsgesprek met breekpunten volgt een extra waarderingsgesprek tussen direct leidinggevende en medewerker.
Het gesprek gaat over de zes thema’s in zoverre er wijzigingen zijn t.a.v. het voorafgaand waarderingsgesprek. De direct leidinggevende bepaalt in hoeverre het oorspronkelijke breekpunt is weggewerkt en of er nieuwe breekpunten zijn. De leidinggevende bepaalt of er doorgegaan wordt naar beoordeling. Indien wel wordt collegiaal beslist (zie artikel 2.8.1.1.10.) of er daadwerkelijk overgegaan wordt tot beoordeling.
De leidinggevende maakt verslag op a.d.h.v. het sjabloon ‘extra waarderingsgesprek na breekpunten’. Dit verslag wordt door de medewerker en leidinggevende ondertekend voor ontvangen.
Artikel 2.8.1.1.10.
Wanneer de direct leidinggevende in het extra waarderingsgesprek oordeelt dat er overgegaan wordt tot beoordeling, wordt zo snel mogelijk samengekomen met het beoordelingscomité (dit is de twee beoordelaars en het diensthoofd personeel of de financieel directeur in het geval van beoordeling van het diensthoofd personeel, conform artikel 2.8.1.1.11). In de beslissing van de algemeen directeur zal per functie vermeld worden wie de beoordelaars en de leden van het beoordelingscomité zijn. Het beoordelingscomité beslist collegiaal of er tot beoordeling wordt overgegaan.
Indien er geen akkoord is of indien er beslist wordt om niet tot beoordeling over te gaan keert de medewerker terug naar het basissysteem van de jaarlijkse waarderingsgesprekken.
Indien er akkoord is om tot beoordeling over te gaan wordt zo snel mogelijk een datum vastgelegd voor een planningsgesprek zoals omschreven in artikel 2.8.1.1.11.
Artikel 2.8.1.1.11.
Het planningsgesprek wordt gevoerd tussen de 2 beoordelaars (zie beslissing van de algemeen directeur) en de medewerker. Voor de inhoud en de verslaggeving van het planningsgesprek gebruiken de beoordelaars het sjabloon ‘planningsgesprek’.
In het planningsgesprek wordt het breekpunt omschreven en worden afspraken gemaakt om tot een verbetering in het professioneel gedrag te komen.
Het verslag wordt opmaakt door de 2e beoordelaar en voor ontvangst ondertekend door beide beoordelaars en de medewerker.
Tijdens het planningsgesprek wordt een datum vastgelegd voor het eerste beoordelingsgesprek.
Artikel 2.8.1.1.12.
Minimum 3 maand en maximum 6 maand na het planningsgesprek volgt een eerste beoordelingsgesprek tussen de medewerker en de twee beoordelaars. Voor de inhoud en de verslaggeving van het eerste beoordelingsgesprek gebruiken de beoordelaars het sjabloon ‘beoordelingsgesprek 1’.
Tijdens het eerste beoordelingsgesprek beoordelen de beoordelaars of er voldoende gewerkt werd aan het breekpunt. De medewerker heeft de mogelijkheid om hierop feedback te geven. De beoordelaars oordelen gunstig of ongunstig en motiveren dit.
Bij gunstig keert de medewerker terug naar het waarderingsmodel.
Bij ongunstig wordt een datum vastgelegd voor een tweede beoordelingsgesprek (zie artikel 2.8.1.1.13.).
Het verslag wordt door medewerker en de beoordelaars ondertekend voor ontvangst.
Tegen een ongunstige beoordeling is beroep mogelijk bij de beroepscommissie (afdeling 2.8.4).
Artikel 2.8.1.1.13.
Minimum 6 maand en maximum 9 maand na het eerste beoordelingsgesprek volgt een tweede beoordelingsgesprek. Voor de inhoud en de verslaggeving van het tweede beoordelingsgesprek gebruiken de beoordelaars het sjabloon ‘beoordelingsgesprek 2’.
Tijdens het tweede beoordelingsgesprek beoordelen de beoordelaars of er voldoende gewerkt werd aan het breekpunt. De medewerker heeft de mogelijkheid om hierop feedback te geven. De beoordelaars oordelen gunstig of ongunstig en motiveren dit.
Bij gunstig keert de medewerker terug naar het waarderingsmodel.
Bij ongunstig wordt overgegaan tot ontslag.
Het verslag wordt door de medewerker en de beoordelaars ondertekend voor ontvangst.
Tegen een ongunstige beoordeling is beroep mogelijk bij de beroepscommissie (zie afdeling 2.8.4).
Artikel 2.8.2.1.1.
De waarderingsgesprekken worden gevoerd door de direct leidinggevende en de medewerker. De beoordelingsgesprekken worden met de medewerker gevoerd door twee leidinggevenden, meer bepaald een eerste en een tweede beoordelaar, waarvan de eerste beoordelaar de rechtstreekse leidinggevende is en de tweede beoordelaar een leidinggevende van het eigen bestuur. De beoordelaars worden vastgesteld bij besluit van de algemeen directeur Indien één van de partijen dit wenst neemt ook het diensthoofd personeel deel aan het beoordelingsgesprek. De medewerker kan zich laten bijstaan door een derde, extern aan de organisatie.
De algemeen directeur wijst de beoordelaars voor de verschillende diensten van de gemeente aan. Hij zorgt voor de opleiding van de beoordelaars en waakt over een eenduidige toepassing van het systeem van waardering en beoordeling binnen de diensten.
Artikel 2.8.2.1.2.
Elke beoordelaar moet een opleiding tot beoordelaar gevolgd hebben om te mogen beoordelen. Als een beoordelaar zelf ongunstig beoordeeld wordt, kan de algemeen directeur, al dan niet tijdelijk, een andere beoordelaar aanwijzen als dat op basis van de inhoud van de beoordeling aangewezen blijkt.
Artikel 2.8.3.1.3.
Het personeelslid heeft het recht zijn persoonlijk beoordelingsdossier te raadplegen en krijgt er op zijn verzoek een afschrift van.
ONDERAFDELING 2.8.3.1. De beoordelingsresultaten
Artikel 2.8.3.1.1.
Het beoordelingsresultaat is gunstig of ongunstig.
Artikel 2.8.3.1.2.
De eerste en tweede beoordelaar streven naar een consensus over de eindconclusie van de beoordeling
Het standpunt van de beoordelaar met de hoogste rang is doorslaggevend, als de twee beoordelaars niet tot overeenstemming komen over het beoordelingsresultaat.
ONDERAFDELING 2.8.3.2. De gevolgen van de beoordeling.
Artikel 2.8.3.2.1.
Eerste beoordelingsgesprek: bij een gunstige beoordeling keert de medewerker terug naar het waarderingsmodel. Bij een ongunstige beoordeling krijgt de medewerker minimum 6 en maximum 9 maand de tijd (te bepalen door de beoordelaars) om zijn functioneren bij te schaven. Daarna volgt een tweede beoordelingsgesprek.
Tweede beoordelingsgesprek: bij een gunstige beoordeling keert de medewerker terug naar het waarderingsmodel. Bij een ongunstige beoordeling volgt ontslag.
Artikel 2.8.3.2.2.
Om recht te hebben op de volgende salarisschaal van de functionele loopbaan mag een medewerker in de laatste 12 maanden geen ongunstige beoordeling gekregen hebben.
Artikel 2.8.3.2.3.
De medewerker die in twee opeenvolgende beoordelingsgesprekken een ongunstige beoordeling krijgt wordt ontslagen. Tussen het eerste en tweede beoordelingsgesprek moet de werkgever instaan voor passende maatregelen als individuele coaching en vorming op maat.
Artikel 2.8.3.2.4.
De algemeen directeur formuleert het gemotiveerde voorstel tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid of herplaatsing wegens beroepsongeschiktheid op basis van het beoordelingsverslag van de tweede beoordeling met ongunstig gevolg.
Het personeelslid en zijn beoordelaars worden daarvan op de hoogte gebracht uiterlijk binnen een termijn van vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van het beoordelingsverslag van de tweede beoordeling met ongunstig gevolg. van de tussentijdse evaluatie aan het personeelslid.
Artikel 2.8.3.2.5.
De aanstellende overheid beslist over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid of herplaatsing wegens beroepsongeschiktheid. De aanstellende overheid hoort het personeelslid vooraf. De aanstellende overheid beslist over het ontslag uiterlijk binnen een termijn van vijfenveertig kalenderdagen volgend op de kennisgeving aan het personeelslid van het voorstel tot ontslag.
Het ontslag van het vast aangestelde statutaire personeelslid verloopt volgens de regels in hoofdstuk 5.2.
ONDERAFDELING 2.8.4.1. Algemene bepalingen
Artikel 2.8.4.1.1.
Het personeelslid kan beroep aantekenen tegen de ongunstige beoordeling.
Artikel 2.8.4.1.2.
Het beroep wordt ingediend binnen de 15 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de kopie van het definitief beoordelingsverslag. Het beroep wordt schriftelijk ingediend bij een beroepsinstantie. De naam en het adres van de contactpersoon van de beroepsinstantie worden aan het personeelslid meegedeeld.
ONDERAFDELING 2.8.4.2. Samenstelling van de beroepsinstantie
Artikel 2.8.4.2.1.
Leden van de gemeenteraad en van het college van burgemeester en schepen, de algemeen directeur, de beoordelaars van het personeelslid dat beroep aantekent, mogen geen deel uitmaken van de beroepsinstantie.
De beroepsinstantie bestaat bij voorkeur uit leden van verschillend geslacht. Aanverwanten tot in de tweede graad van de persoon die beroep aantekent, worden geweerd.
Artikel 2.8.4.2.2.
Voor elke behandeling van een beroep bestaat de beroepsinstantie minimaal uit drie leden, de secretarisnotulist niet meegerekend.
Artikel 2.8.4.2.3.
De beroepsinstantie bestaat uit:
Artikel 2.8.4.2.4.
De leden van de beroepsinstantie worden nominatief aangesteld door het college van burgemeester en schepenen.
ONDERAFDELING 2.8.4.3. De werking van de beroepsinstantie
Artikel 2.8.4.3.1.
De meerderheid van de leden van de beroepsinstantie moet aanwezig zijn voor de behandeling van een beroep.
De externe consultant, gespecialiseerd in coaching en evaluatie (in toepassing van artikel 2.8.4.2.3.) moet aanwezig zijn.
Artikel 2.8.4.3.2.
De beroepsinstantie wijst in haar midden een voorzitter aan. De voorzitter leidt de werkzaamheden van de beroepsinstantie. De beroepsinstantie onderzoekt het beroep en hoort de beoordelaars en het personeelslid.
Artikel 2.8.4.3.3.
De secretarisnotulist neemt niet deel aan de besprekingen en de eindbeoordeling over het beroep.
Artikel 2.8.4.3.4.
Het personeelslid en de beoordelaars worden gelijktijdig gehoord binnen een termijn van veertig kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het beroep, in een tegensprekelijke hoorzitting onder leiding van de voorzitter van de beroepsinstantie. Het personeelslid kan zich laten bijstaan door een persoon naar zijn keuze. Het personeelslid wordt als laatste gehoord in zijn verdediging.
Artikel 2.8.4.3.5.
Van de hoorzitting wordt ter zitting een verslag gemaakt. Het verslag geeft de standpunten van de beoordelaars en het personeelslid weer. De secretaris en de voorzitter van de beroepsinstantie ondertekenen het verslag. Het verslag maakt deel uit van het beroepsdossier.
Artikel 2.8.4.3.6.
De beroepsinstantie beraadslaagt over haar bevindingen en formuleert eenparig een gemotiveerd advies aan de algemeen directeur tot bevestiging of aanpassing van de beoordeling en het beoordelingsresultaat.
Als er geen eenparig gemotiveerd advies tot stand komt, worden de verschillende standpunten weergegeven en ter stemming aan de beroepsinstantie voorgelegd. Alle leden, behalve de secretarisnotulist, zijn daarbij stemgerechtigd. De stemming is geheim. Het meerderheidsstandpunt bepaalt het gemotiveerd advies.
Artikel 2.8.4.3.7.
Het gemotiveerd advies wordt schriftelijk aan de algemeen directeur bezorgd binnen de tien werkdagen na datum van de laatste hoorzitting. De algemeen directeur tekent het advies voor ontvangst.
ONDERAFDELING 2.8.4.4. Beslissing in beroep van de algemeen directeur
Artikel 2.8.4.4.1.
Binnen een termijn van vijftien werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het gemotiveerd advies beslist de algemeen directeur over de bevestiging of de aanpassing van de beoordeling en het beoordelingsresultaat. De algemeen directeur deelt zijn gemotiveerd besluit schriftelijk mee aan:
Artikel 2.8.4.4.2.
Als de beroepsinstantie, in een beroep als vermeld in artikel 2.8.4.1.1 geen advies formuleert binnen de termijn vastgesteld in artikel 2.8.4.3.7, dan krijgt het personeelslid het beoordelingsresultaat gunstig.
De algemeen directeur past de beoordeling en het beoordelingsresultaat in die zin aan.
Artikel 2.8.4.4.3.
Als de algemeen directeur geen besluit neemt over de bevestiging of aanpassing van de beoordeling en van het beoordelingsresultaat vastgesteld in artikel 2.8.4.4.1., dan krijgt het personeelslid een gunstig beoordelingsresultaat.
ONDERAFDELING 2.8.5.1. De beoordeling tijdens de proeftijd
Artikel 2.8.5.1.1.
De algemeen directeur en financieel directeur op proef worden beoordeeld door een beoordelingscomité samengesteld uit het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de gemeenteraad. De voorzitter van het college van burgemeester en schepenen is voorzitter van het beoordelingscomité.
De beoordeling vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door externe deskundigen in het personeelsbeleid. De regels voor de opmaak van het voorbereidend rapport zijn vermeld in artikel 2.8.5.2.5.
Het beoordelingscomité stemt over het beoordelingsresultaat gunstig of ongunstig. Bij staking van stemmen is het beoordelingsresultaat gunstig.
Artikel 2.8.5.1.2.
De functiehouder krijgt tijdens zijn proeftijd feedback over zijn manier van functioneren. Na maximaal drie maand en / of op vraag van de functiehouder of het CBS vindt een waarderingsgesprek voor nieuwe medewerkers plaats tussen CBS en functiehouder. Dit gebeurt aan de hand van het daarvoor voorziene sjabloon.
Wanneer de functiehouder bij het waarderingsgesprek nieuwe medewerker breekpunten heeft worden afspraken gemaakt over het verbeteren van het functioneren met het oog op de beoordeling op het einde van de proeftijd.
Functiehouder en / of CBS kunnen een extra waarderingsgesprek voor nieuwe medewerkers vragen tussendoor.
Het CBS maakt verslag op van het waarderingsgesprek nieuwe medewerker a.d.h.v. het sjabloon ‘waarderingsgesprek nieuwe medewerker’. Het verslag wordt door functiehouder en CBS ondertekend voor ontvangen en kan optioneel door functiehouder en CBS ondertekend worden voor akkoord met de afspraken. Dit sjabloon is tevens de basis voor de inhoud van het waarderingsgesprek nieuwe medewerkers.
Er kunnen indien nodig aandachtspunten en breekpunten genoteerd worden in het verslag. Aandachtspunten geven aan waar de functiehouder verder in kan groeien. Breekpunten zorgen ervoor dat het goede functioneren van de functiehouder en/of het team en/of de organisatie in het gedrang komt.
Artikel 2.8.5.1.3.
2 weken voor het einde van de proeftijd volgt er een beoordelingsgesprek tussen de decretale graad en het beoordelingscomité. Dit gebeurt inhoudelijk op basis van het functieprofiel. Hierbij wordt een externe partner betrokken die een voorbereidend rapport opmaakt. Het voorbereidend rapport wordt minstens opgemaakt op basis van een beoordelingsgesprek tussen de externe deskundigen en de functiehouder en op basis van een onderzoek over de wijze van functioneren van de functiehouder, waarbij de burgemeester, de voorzitter van het vast bureau, de leden van het managementteam en de voorzitter van de gemeenteraad betrokken worden. Het beoordelingscomité bepaalt of het beoordelingsresultaat gunstig of ongunstig is. Bij staking van stemmen is het beoordelingsresultaat gunstig.
Artikel 2.8.5.1.4.
Het resultaat van de eindbeoordeling van de proeftijd is gunstig of ongunstig.
De algemeen directeur en de financieel directeur op proef die na het verstrijken van de proeftijd op grond van het ongunstig eindresultaat van de eindbeoordeling niet in aanmerking komt voor de vaste aanstelling in statutair verband wordt door de gemeenteraad ontslagen.
Artikel 2.8.5.1.5.
In afwijking van artikel 2.8.5.1.4. kan het beoordelingscomité een verlenging van de proeftijd met zes maanden voorstellen. Uit de eindbeoordeling moet blijken dat de duur van de proeftijd niet volstaat om tot een gefundeerd beoordelingsresultaat te komen.
De gemeenteraad beslist over de verlenging van de proeftijd uiterlijk binnen twee maanden na de eindbeoordeling van het beoordelingscomité.
Artikel 2.8.5.1.6.
De algemeen directeur of de financieel directeur op proef wordt na afloop van de verlengde proeftijd opnieuw beoordeeld volgens dezelfde procedure. Als hij op grond van een ongunstig resultaat niet in aanmerking komt voor de vaste aanstelling in statutair verband, wordt hij door de gemeenteraad ontslagen.
Artikel 2.8.5.1.7.
Na afloop van de proeftijd behouden de algemeen directeur en de financieel directeur op proef hun hoedanigheid van op proef aangesteld personeelslid, tot de gemeenteraad beslist over de vaste aanstelling in statutair verband of het ontslag.
De gemeenteraad neemt het besluit tot vaste aanstelling in statutair verband of ontslag uiterlijk binnen twee maanden na de eindbeoordeling van het comité.
Het ontslag wordt gegeven in overeenstemming met de bepalingen hoofdstuk 5.2.
ONDERAFDELING 2.8.5.2. De waardering en beoordeling tijdens de loopbaan
Artikel 2.8.5.2.1
Er is dagdagelijkse, continue feedback tussen CBS, MAT en functiehouder.
Jaarlijks is er een waarderingsgesprek tussen CBS en functiehouder. Indien CBS en/of functiehouder hierom vragen kan een bijkomend waarderingsgesprek gevoerd worden.
Er kunnen indien nodig aandachtspunten en breekpunten genoteerd worden in het verslag. Aandachtspunten geven aan waar de functiehouder verder in kan groeien. Breekpunten zorgen ervoor dat het goede functioneren van de functiehouder en/of het team en/of de organisatie in het gedrang komt. Wanneer er zich breekpunten voordoen volgt na minimaal 3 en maximaal 12 maanden een extra waarderingsgesprek zoals bij de medewerkers.
Indien er zich geen breekpunten voordoen blijft de functiehouder in het waarderingssysteem en is er jaarlijks een waarderingsgesprek, naast de dagdagelijkse, continue feedback.
Het CBS maakt verslag op van het waarderingsgesprek a.d.h.v. het sjabloon ‘waarderingsgesprek’. Het verslag wordt door functiehouder en CBS ondertekend voor ontvangen en kan optioneel functiehouder en CBS ondertekend worden voor akkoord met de afspraken.
Dit sjabloon is tevens de basis voor de inhoud van het waarderingsgesprek.
Centraal in de waardering staan volgende zes thema’s:
In het waarderingsgesprek worden afspraken gemaakt voor de toekomst, worden desgevallend te behalen resultaten geformuleerd en wordt desgevallend gedefinieerd welke opleiding / ondersteuning de functiehouder krijgt.
Artikel 2.8.5.2.2.
Minimum 3 en maximum 12 maand na een waarderingsgesprek met breekpunten volgt een extra waarderingsgesprek tussen CBS en functiehouder.
Het gesprek gaat over de zes thema’s in zoverre er wijzigingen zijn t.a.v. het voorafgaand waarderingsgesprek. Het CBS bepaalt in hoeverre het oorspronkelijke breekpunt is weggewerkt en of er nieuwe breekpunten zijn. Het CBS bepaalt of er doorgegaan wordt naar beoordeling. Indien wel wordt collegiaal beslist ( zie artikel 2.8.1.1.10.) of er daadwerkelijk overgegaan wordt tot beoordeling.
Het CBS maakt verslag op a.d.h.v. het sjabloon ‘extra waarderingsgesprek na breekpunten’. Dit verslag wordt door de functiehouder en het CBS ondertekend voor ontvangen.
Artikel 2.8.5.2.3
Wanneer het CBS in het extra waarderingsgesprek oordeelt dat er overgegaan wordt tot beoordeling, wordt zo snel mogelijk samengekomen. Het CBS beslist collegiaal of er tot beoordeling wordt overgegaan.
Indien er geen akkoord is of indien er beslist wordt om niet tot beoordeling over te gaan keert de medewerker terug naar het basissysteem van de jaarlijkse waarderingsgesprekken.
Indien er akkoord is om tot beoordeling over te gaan wordt zo snel mogelijk een datum vastgelegd voor een planningsgesprek zoals omschreven in artikel 2.8.1.1.11.
Artikel 2.8.5.2.4
Het planningsgesprek wordt gevoerd tussen het CBS en de functiehouder. De inhoud en het verslag van dit gesprek zijn gebaseerd op de functiebeschrijving van de functiehouder.
In het planningsgesprek wordt het breekpunt omschreven en worden afspraken gemaakt om tot een verbetering in het professioneel gedrag te komen.
Het verslag wordt opmaakt door het CBS en voor ontvangst ondertekend door het CBS en de functiehouder.
Tijdens het planningsgesprek wordt een datum vastgelegd voor het eerste beoordelingsgesprek.
Artikel 2.8.5.2.5
Minimum 3 maand en maximum 6 maand na het planningsgesprek volgt een eerste beoordelingsgesprek tussen de functiehouder en het beoordelingscomité. De inhoud en de verslaggeving van het eerste beoordelingsgesprek zijn gebaseerd op de functiebeschrijving. De beoordeling gebeurt op basis van het voorbereidend rapport van een extern deskundige (zie artikel 2.8.5.1.1.).
Tijdens het eerste beoordelingsgesprek beoordelen de beoordelaars of er voldoende gewerkt werd aan het breekpunt. De functiehouder heeft de mogelijkheid om hierop feedback te geven. Het beoordelingscomité, samengesteld uit het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de gemeenteraad, oordeelt gunstig of ongunstig en motiveert dit.
Bij gunstig keert de functiehouder terug naar het waarderingsmodel.
Bij ongunstig wordt een datum vastgelegd voor een tweede beoordelingsgesprek (zie artikel 2.8.1.1.13.).
Het verslag wordt door functiehouder en het beoordelingscomité ondertekend voor ontvangst.
Artikel 2.8.5.2.6.
Minimum 6 maand en maximum 9 maand na het eerste beoordelingsgesprek volgt een tweede beoordelingsgesprek. De inhoud en de verslaggeving van het tweede beoordelingsgesprek zijn gebaseerd op de functiebeschrijving. De beoordeling gebeurt op basis van het voorbereidend rapport van een extern deskundige (zie artikel 2.8.5.1.1.)
Tijdens het tweede beoordelingsgesprek beoordeelt het beoordelingscomité of er voldoende gewerkt werd aan het breekpunt. De functiehouder heeft de mogelijkheid om hierop feedback te geven. Het beoordelingscomité, samengesteld uit het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de gemeenteraad, oordeelt gunstig of ongunstig en motiveert dit.
Bij gunstig keert de functiehouder terug naar het waarderingsmodel.
Bij ongunstig wordt overgegaan tot ontslag.
Het verslag wordt door de functiehouder en het CBS beoordelingscomité ondertekend voor ontvangst.
Artikel 2.8.5.2.7.
De beoordelingscriteria worden vastgesteld volgens de bepalingen van het rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel en opgenomen in de functiebeschrijving.
Artikel 2.8.5.2.8.
De beoordeling wordt uitgevoerd op basis van vooraf vastgestelde beoordelingscriteria. De beoordelingscriteria worden vastgesteld voor:
Artikel 2.8.5.2.9.
Het voorbereidend rapport van de externe deskundigen is gebaseerd op:
ONDERAFDELING 2.8.5.3. De beoordelingsresultaten en de gevolgen van de beoordeling.
Artikel 2.8.5.3.1.
Het beoordelingsresultaat is gunstig of ongunstig.
Artikel 2.8.5.3.2.
Om een periodieke salarisverhoging te bekomen mag de functiehouder geen ongunstige beoordeling gekregen hebben in de 12 voorafgaande maanden.
Artikel 2.8.5.3.3.
De algemeen directeur en de financieel directeur met een ongunstig beoordelingsresultaat wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid of herplaatst wegens beroepsongeschiktheid.
Artikel 2.8.5.3.4.
De gemeenteraad beslist over het ontslag wegens beroepsongeschiktheid en herplaatsing wegens beroepsongeschiktheid. Hij hoort de betrokkene vooraf.
Het ontslag van de vast aangestelde statutaire functiehouder verloopt volgens de regels vermeld in hoofdstuk 5.2.
Artikel 2.9.1.1.1.
Onder vorming wordt verstaan: elk begeleid en gestructureerd leertraject, ongeacht of dat intern of extern aan het bestuur georganiseerd wordt, ongeacht de duur ervan en ongeacht of het individueel dan wel in groepsverband georganiseerd wordt.
Artikel 2.9.1.1.2.
De personeelsleden hebben recht op informatie en vorming zowel met betrekking tot aspecten die nuttig zijn voor de uitoefening van de functie als om te kunnen voldoen aan de bevorderingsvereisten.
Artikel 2.9.1.1.3.
De personeelsleden houden zich op de hoogte van de ontwikkelingen en de nieuwe inzichten in de materies waarmee zij beroepshalve belast zijn.
Artikel 2.9.1.1.4.
De vorming is een plicht als ze noodzakelijk blijkt voor een betere uitoefening van de functie of het functioneren van een dienst, of als ze een onderdeel uitmaakt van een herstructurering of reorganisatie van een afdeling of een implementatie van nieuwe werkmethodes en / of infrastructuur (conform artikel 192 van het decreet).
Artikel 2.9.1.1.5.
De vormingsverantwoordelijke zorgt in samenwerking met de algemeen directeur voor de concrete invulling van het vormingsrecht en van de vormingsplicht op basis van de vastgestelde vormingsbehoeften.
Artikel 2.9.1.1.6.
De vorming in het kader van het vormingsreglement en de vormingsplicht, en de vorming die opgelegd wordt in het kader van de persoonlijke loopbaanontwikkeling binnen het bestuur, kan pas in aanmerking worden genomen wanneer zij met goed gevolg afgelegd werd.
Onder ‘met goed gevolg’ wordt verstaan:
Indien de vormingsinstelling of het instituut noch examens of proeven organiseert, noch een attest als hierboven bedoeld, aflevert, zal het personeelslid het daartoe ontworpen formulier, aan de vormingsverantwoordelijke bezorgen. Enkel dit formulier dat door de vormingsverantwoordelijke aanvaard moet worden, kan de notie ‘met goed gevolg’ weergeven.
Bij interne vorming / opleiding zal de notie ‘met goed gevolg’ blijken uit het door het bestuur afgeleverde vormingsattest, tenzij de instelling of organisatie die de opleiding verzorgt eigen attesten gebruikt. De notie ‘met goed gevolg’ wordt toegekend door de lesgever(s)-trainer(s) in overleg met de algemeen directeur en de vormingsverantwoordelijke. Zij kunnen voor het vaststellen van deze notie rekening houden met alle relevante elementen.
Artikel 2.9.1.1.7.
Als er meerdere personeelsleden in aanmerking komen voor een bepaalde vormingsactiviteit en een gelijktijdige deelname vanwege het dienstbelang niet mogelijk is, kan de algemeen directeur, naar gelang van het geval, op basis van een van de volgende criteria voorrang geven:
Artikel 2.9.1.1.8.
Het personeelslid krijgt voor alle interne of externe vormingsactiviteiten waaraan het deelneemt op uitdrukkelijk verzoek van de algemeen directeur dienstvrijstelling en de periodes van afwezigheid worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Als de opgelegde vormingsactiviteit doorgaat buiten de werkuren krijgt het personeelslid daarvoor een compensatie. De compensatie wordt genomen in afspraak met de leidinggevende rekening houdend met het dienstbelang.
Artikel 2.9.1.1.9.
Het bestuur draagt de kosten voor de deelname aan de opgelegde vormingsactiviteiten. Tot die kosten behoren ook de kosten voor de verplaatsing naar en van de plaats waar de vormingsactiviteit doorgaat. Het bestuur stelt in de mate van het mogelijke een dienstvoertuig ter beschikking.
Artikel 2.9.1.1.10.
Het personeelslid dat om een ernstige reden niet kan deelnemen aan een aangevraagde en toegestane vormingsactiviteit, deelt dat zonder uitstel voor de aanvang van de vormingsactiviteit mee aan zijn leidinggevende. De leidinggevende kan een ander personeelslid in de mogelijkheid stellen om de vorming te volgen.
Artikel 2.9.1.1.11.
Het personeelslid dat aan een extern georganiseerde vormingsactiviteit deelneemt, geeft na afloop daarvan aan de vormingsverantwoordelijke een aanwezigheidsattest.
Artikel 2.9.1.1.12.
De mate waarin het personeelslid na deelname aan vormingsactiviteiten in zijn dagelijks werk toepassing maakt van de geleerde vaardigheden of van de verworven kennis, is een element in zijn beoordeling.
In elk geval moeten de personeelsleden de vormingsactiviteiten ‘met goed gevolg’ afgelegd hebben in overeenstemming met artikel 2.9.1.1.6.
Artikel 2.9.2.1.1.
Het personeelslid op proef neemt deel aan een leer- en onthaaltraject dat zijn integratie in het bestuur en zijn inwerking in de functie bevordert.
Het leertraject bestaat uit een onthaalpakket o.a. over de werking van het bestuur, kennismaking met de rechtspositieregeling en het arbeidsreglement.
Artikel 2.9.2.1.2.
Het personeelslid kan verplicht worden om vorming te volgen:
Artikel 2.9.2.1.3.
De verplichting om aan vormingsactiviteiten deel te nemen gaat uit van de algemeen directeur in samenspraak met de vormingsverantwoordelijke.
De personeelsleden kunnen van de verplichting tot deelname aan de opgelegde vormingsactiviteit vrijgesteld worden als daar ernstige redenen voor zijn, andere dan overmacht. Het personeelslid dat meent een ernstige reden te hebben voor een vrijstelling van de verplichte deelname, vraagt die vrijstelling schriftelijk voor de start van de vormingsactiviteit aan bij de algemeen directeur. De algemeen directeur beslist over de eventuele vrijstelling.
Artikel 2.9.3.1.1.
Onder vormingsrecht wordt verstaan: het recht van het personeelslid om deel te nemen aan opleidings- en vormingsinitiatieven.
Artikel 2.9.3.1.2.
Het personeelslid dat wil deelnemen aan een vormingsactiviteit vraagt daartoe toestemming aan de algemeen directeur via zijn diensthoofd. Het personeelslid motiveert zijn aanvraag.
Artikel 2.9.3.1.3.
Het diensthoofd neemt kennis van de vormingsaanvraag, geeft er een advies over en bezorgt de vormingsaanvraag onmiddellijk aan de vormingsverantwoordelijke.
Artikel 2.9.3.1.4.
De vormingsverantwoordelijke toetst de aanvraag aan de vastgestelde vormingsbehoeften, de planning en de beschikbare middelen. Hij overlegt daarover zo nodig met de leidinggevende en / of het personeelslid.
De vormingsverantwoordelijke stelt aan de algemeen directeur voor om toestemming te geven of te weigeren voor deelname aan de vormingsactiviteit. De algemeen directeur beslist over de toestemming of de weigering. Hij motiveert zijn besluit.
Artikel 2.9.3.1.5.
De toestemming voor deelname aan een vormingsactiviteit kan geweigerd worden op grond van de volgende algemene criteria:
Als de vorming om een van deze redenen geweigerd wordt, kan in overleg met het diensthoofd en het personeelslid een geschikt alternatief aangeboden worden.
Artikel 2.9.3.1.6.
Aan het goedkeuringsbesluit van de algemeen directeur kan een scholingsbeding gekoppeld worden. Dit gebeurt overeenkomstig de bepalingen en de voorwaarden opgenomen in artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978.
Bij het contractuele personeelslid wordt het scholingsbeding toegevoegd als addendum bij zijn/haar arbeidsovereenkomst.
Ook voor de statutaire personeelsleden kan een scholingsbeding afgesloten worden (voorwaarden zoals opgenomen in artikel 22bis van de arbeidsovereenkomstenwet).
Het scholingsbeding heeft geen uitwerking wanneer een einde wordt gesteld aan de statutaire aanstelling, hetzij tijdens de proefperiode, hetzij na deze periode door de werkgever zonder dringende reden. Het beding heeft evenmin uitwerking wanneer de éénzijdige statutaire aanstelling wordt beëindigd door de werknemer omwille van een dringende reden of als gevolg van een herstructurering.
Artikel 2.10.1.1.1.
Met administratieve anciënniteiten worden de anciënniteiten bedoeld die gebruikt worden voor het verloop van de loopbaan.
De volgende administratieve anciënniteiten zijn van toepassing op het personeelslid:
Artikel 2.10.1.1.2.
De administratieve anciënniteiten worden uitgedrukt in jaren en volle kalendermaanden. Ze nemen een aanvang op de eerste dag van een maand. Als de diensten geen aanvang hebben genomen op de eerste dag van een maand of geen einde hebben genomen op de laatste dag van een maand, worden de gedeelten van maanden weggelaten.
Artikel 2.10.1.1.3.
De graadanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten bij een overheid sinds de datum van de aanstelling (op proef) in een bepaalde graad of een daarmee vergelijkbare graad.
Artikel 2.10.1.1.4.
De niveauanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten bij een overheid sinds de datum van de aanstelling (op proef) in een of meer graden van een bepaald niveau of van een daarmee vergelijkbaar niveau.
Artikel 2.10.1.1.5.
De dienstanciënniteit bestaat uit de werkelijke diensten die gepresteerd zijn bij een overheid.
Artikel 2.10.1.1.6.
De schaalanciënniteit is de anciënniteit verworven bij de gemeente in een bepaalde salarisschaal van de functionele loopbaan van een bepaalde graad. Ze neemt een aanvang op de datum van de aanstelling (op proef) in die graad, tenzij anders bepaald.
De diensten die krachtens de rechtspositieregeling recht geven op een salaris geven recht op de toekenning van schaalanciënniteit.
De volgende periodes van onbezoldigde volledige afwezigheid komen in aanmerking voor de toekenning van schaalanciënniteit:
De schaalanciënniteit die voor de periodes van onbezoldigde volledige afwezigheid wordt toegekend, mag in het totaal niet meer belopen dan twaalf maanden.
Artikel 2.10.1.1.7.
Onder werkelijke diensten, conform dit hoofdstuk, worden alle diensten verstaan die recht geven op het salaris of die, wat het statutaire personeelslid betreft bij ontstentenis van een salaris gelijkgesteld worden met dienstactiviteit.
Volgende periode van verlof of afwezigheid worden gelijkgesteld met dienstactiviteit:
Artikel 2.10.1.1.8.
Onder overheid, conform dit hoofdstuk, wordt verstaan:
Artikel 2.10.1.1.9.
De diensten die gepresteerd werden bij een andere overheid dan de gemeente, worden in aanmerking genomen voor de vaststelling van de administratieve anciënniteiten, met uitzondering van de schaalanciënniteit.
Die administratieve anciënniteiten worden in aanmerking genomen op basis van een vergelijking van die diensten met de algemene en de specifieke voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt.
Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken voor de diensten die bij een andere overheid gepresteerd werden. Als bewijsstukken worden aanvaard:
Artikel 2.10.1.1.10.
Aan het personeelslid met beroepservaring in de privésector of als zelfstandige wordt graadanciënniteit, niveauanciënniteit en dienstanciënniteit toegekend als die beroepservaring relevant is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangesteld en het een knelpuntenberoep is. Indien het geen knelpuntenberoep is, wordt maximum tien jaar graadanciënniteit, niveauanciënniteit en dienstanciënniteit toegekend.
De bovenvermelde anciënniteiten worden toegekend op basis van een vergelijking van de beroepservaring met de voorwaarden en het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt.
Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken voor de diensten die in de privésector of als zelfstandige gepresteerd werden. Als bewijsstukken worden aanvaard:
Artikel 2.10.1.1.11.
In afwijking van artikel 2.10.1.1.6. en artikel 2.10.1.1.9. wordt aan het personeelslid met beroepservaring bij een overheid ook schaalanciënniteit toegekend als die beroepservaring relevant is voor de functie waarin het personeelslid wordt aangesteld.
Die schaalanciënniteit wordt toegekend op basis van een vergelijking van die diensten met de voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt.
Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken voor de diensten die bij een andere overheid, gepresteerd werden. Als bewijsstukken worden aanvaard:
Artikel 2.11.1.1.1.
De functionele loopbaan bestaat uit de toekenning van opeenvolgende salarisschalen die met een en dezelfde graad verbonden zijn.
Bij elke aanstelling in een graad krijgt het personeelslid de eerste salarisschaal van de functionele loopbaan van die graad, tenzij anders bepaald.
Artikel 2.11.2.1.1.
De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn voor het niveau A:
Artikel 2.11.2.1.2.
De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn voor het niveau B:
Artikel 2.11.2.1.3.
De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn voor het niveau C:
Artikel 2.11.2.1.4.
De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn voor het niveau D:
Artikel 2.11.2.1.5.
De functionele loopbanen en de voorwaarden voor doorstroming naar de volgende salarisschalen zijn voor het niveau E:
Artikel 2.12.1.1.1.
De bevordering is de aanstelling van een personeelslid in een functie van een graad van een hogere rang in overeenstemming met de indeling en rangschikking van de graden in het organogram.
Artikel 2.12.1.1.2.
Een bevordering is alleen mogelijk in een vacante betrekking van het organogram.
Artikel 2.12.1.1.3.
Voor deelname aan een bevorderingsprocedure komen de volgende personeelsleden in aanmerking:
Artikel 2.12.1.1.4.
De aanstellende overheid brengt de personeelsleden van de interne vacature op de hoogte via de interne bekendmakingskanalen conform de bepalingen van het artikel 2.2.2.1.2. en doet een oproep tot kandidaatstelling. Het vacaturebericht wordt opgesteld conform artikel 2.2.2.1.3.
Artikel 2.12.1.1.5.
Tussen de bekendmaking van een vacature en de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen, verlopen minstens veertien kalenderdagen. De dag van de bekendmaking van de vacature is niet in de termijn begrepen, de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen wel.
Als de uiterste datum op een zaterdag, zondag of feestdag valt, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
Artikel 2.12.1.1.6.
De kandidaturen worden ingediend via een sollicitatieformulier.
Artikel 2.12.1.1.7.
De datum van de ontvangst van de kandidaturen wordt beschouwd als de datum waarop de kandidaturen zijn ingediend.
Artikel 2.12.1.1.8.
De aanstellende overheid beoordeelt de geldigheid van de ingediende kandidaturen, behalve als de gemeenteraad de aanstellende overheid is. In dat geval beoordeelt het college van burgemeester en schepenen de geldigheid.
Artikel 2.12.1.1.9.
Alleen kandidaten die voldoen aan de bevorderingsvoorwaarden, worden toegelaten tot de selectieprocedure. Voor de aanvang van de selectieprocedure worden de kandidaten die niet tot de selectieprocedure worden toegelaten door de aanstellende overheid schriftelijk op de hoogte gebracht dat ze geweigerd zijn, met vermelding van de reden daarvoor.
Artikel 2.12.1.1.10.
Om voor bevordering in aanmerking te komen moeten de kandidaten voldoen aan de voorwaarden zoals omschreven in afdeling 2.12.4.
Indien krachtens een reglementering van een hogere overheid het bezit van een bepaald diploma wordt opgelegd, moeten de kandidaten bijkomend voldoen aan die diplomavereiste om voor bevordering in aanmerking te komen.
Artikel 2.12.1.1.11.
De bepalingen vastgelegd in artikel 2.2.1.1.6. zijn van toepassing.
Artikel 2.12.2.1.1.
De algemene bepalingen vastgesteld in hoofdstuk 2.3. met uitzondering van artikel 2.3.2.1.3 tweede alinea zijn van toepassing op de selecties in het kader van een bevorderingsprocedure.
Artikel 2.12.3.1.1.
De aanstellende overheid beslist bij de vacantverklaring van een betrekking of een bevorderingsreserve wordt aangelegd.
Artikel 2.12.3.1.2.
De duur van de bevorderingsreserve bedraagt drie jaar.
Artikel 2.12.3.1.3.
De geldigheidsduur van de bevorderingsreserve vangt aan vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van het eindrapport van de selectie.
Artikel 2.12.3.1.4.
Alle geslaagde of geschikt bevonden kandidaten, worden in de bevorderingsreserve opgenomen en gerangschikt volgens hun behaalde resultaat.
Artikel 2.12.3.1.5.
De aanstellende overheid kan geen nieuwe aanwervingsprocedure organiseren zolang er voor dezelfde functie of graad nog kandidaten opgenomen zijn in een daarvoor nog geldige bevorderingsreserve.
Artikel 2.12.3.1.6.
Na een vergelijkende selectie wordt telkens de eerst gerangschikte kandidaat van de bevorderingsreserve het eerst geraadpleegd om de vacature te vervullen
Artikel 2.12.3.1.7.
Een geraadpleegde kandidaat kan eenmaal een aangeboden betrekking weigeren zonder zijn plaats in de bevorderingsreserve te verliezen, op voorwaarde dat hij zijn kandidatuur naar aanleiding van de weigering binnen de vastgestelde termijn bevestigt.
Artikel 2.12.3.1.8.
Bij een tweede weigering van een aangeboden betrekking wordt de kandidaat automatisch uit de bevorderingsreserve geschrapt. Hij wordt daarvan op de hoogte gebracht.
Artikel 2.12.4.1.1.
De voorwaarden voor bevordering naar of binnen niveau A zijn:
Artikel 2.12.4.1.2.
De voorwaarden voor bevordering naar of binnen niveau B zijn:
voor een graad van rang Bv, schalen B1-B3 (basisgraad):
Artikel 2.12.4.1.3.
De voorwaarden voor bevordering naar of binnen niveau C zijn:
Artikel 2.12.4.1.4.
De voorwaarden voor bevordering naar of binnen niveau D zijn:
Artikel 2.12.5.1.1.
De proeftijd/inwerktijd na bevordering beoogt de inwerking van het personeelslid in zijn nieuwe functie en stelt de aanstellende overheid in staat de geschiktheid van het personeelslid voor de nieuwe functie te verifiëren.
Artikel 2.12.5.1.2.
De leidinggevende van het personeelslid zorgt in overleg met de algemeen directeur voor de actieve inwerking van het personeelslid in zijn nieuwe functie.
Artikel 2.12.5.1.3.
Het personeelslid dat bevorderd wordt in een statutaire of contractuele betrekking van niveau A, B, C of D is onderworpen aan een proeftijd/inwerktijd.
Artikel 2.12.5.1.4.
Afdeling 2.7.2. en afdeling 2.7.3. zijn van toepassing op de proeftijd/inwerktijd na bevordering.
Artikel 2.12.5.1.5.
Ingeval van ongunstig beoordelingsresultaat bij afloop van de proeftijd/inwerktijd gelden de bepalingen van artikel 4.2.1.1.1.
Artikel 2.12.6.1.1.
De aanstellende overheid bepaalt de datum van de bevordering van het geselecteerde personeelslid.
Artikel 2.12.6.1.2.
Het personeelslid dat zonder onderbreking tot de bevordering een graad bij wijze van hogere functie heeft waargenomen wordt in die graad bevorderd met ingang van de datum waarop de hogere functie vacant wordt.
De bevordering kan echter niet teruggaan tot voor de datum waarop de betrokkene aan alle voorwaarden om tot de graad te worden bevorderd, voldeed.
Artikel 2.12.6.1.3.
Het personeelslid dat werd bevorderd, moet de betrekking met de taken en verantwoordelijkheden eraan verbonden opnemen.
Artikel 2.13.1.1.1.
Onder interne personeelsmobiliteit voor de vervulling van een vacature wordt verstaan: de heraanstelling van een personeelslid in een vacante betrekking van het organogram die in dezelfde graad of in een andere graad van dezelfde rang is ingedeeld.
Artikel 2.13.1.1.2.
Voor deelname aan een procedure van interne personeelsmobiliteit komen de volgende personeelsleden in aanmerking:
De procedure van interne personeelsmobiliteit is niet van toepassing op de functies van algemeen directeur en financieel directeur van de gemeente.
Artikel 2.13.1.1.3.
De aanstellende overheid beslist over de heraanstelling. De heraanstelling is niet tijdelijk, maar definitief.
De bepalingen over de proeftijd/inwerktijd zijn niet van toepassing na een procedure van interne personeelsmobiliteit.
Artikel 2.13.2.1.1.
De kandidaten moeten ten minste:
Artikel 2.13.2.1.2.
De aanstellende overheid brengt de personeelsleden van de interne vacature op de hoogte en doet een oproep tot kandidaatstelling via de interne bekendmakingskanalen conform de bepalingen van het artikel 2.2.2.1.2.
Artikel 2.13.2.1.3.
Tussen de bekendmaking van een vacature en de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen, verlopen minstens veertien kalenderdagen. De dag van de bekendmaking van de vacature is niet in de termijn inbegrepen, de uiterste datum voor de indiening van de kandidaturen wel.
Als de uiterste datum op een zaterdag, zondag of feestdag valt, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende werkdag.
Artikel 2.13.2.1.4.
Het vacaturebericht wordt opgesteld conform artikel 2.2.2.1.3.
Artikel 2.13.2.1.5.
De kandidaturen worden ingediend via een sollicitatieformulier.
Artikel 2.13.2.1.6.
De datum van de ontvangst van de kandidaturen wordt beschouwd als de datum waarop de kandidaturen zijn ingediend.
Artikel 2.13.2.1.7.
De aanstellende overheid beoordeelt de geldigheid van de ingediende kandidaturen.
Artikel 2.13.2.1.8.
Alleen kandidaten die voldoen aan de voorwaarden, worden toegelaten tot de selectieprocedure. Voor de aanvang van de selectieprocedure worden de kandidaten die niet tot de selectieprocedure worden toegelaten door de aanstellende overheid schriftelijk op de hoogte gebracht dat ze geweigerd zijn, met vermelding van de reden daarvoor.
Artikel 2.13.2.1.9.
De vacature kan vervuld worden door functiewijziging of door graadverandering.
Bij functiewijziging komen de kandidaten in aanmerking die in dezelfde graad zijn aangesteld als de graad van de vacante functie.
Bij graadverandering komen de kandidaten in aanmerking die een andere graad bekleden van dezelfde rang, waaraan dezelfde salarisschalen en dezelfde functionele loopbaan verbonden zijn.
Artikel 2.13.2.1.10.
Als de functie vervuld wordt door functiewijziging, dan worden de kandidaten onderworpen aan een gestructureerd interview door een selectiecommissie die nagaat of de kandidaat voldoet aan de competentievereisten voor de vacante functie.
Het interview is ondermeer gebaseerd op:
Artikel 2.13.2.1.11.
Als de functie vervuld wordt door graadverandering, dan worden de kandidaten onderworpen aan een selectieprocedure die bestaat uit:
De aanstellende overheid bepaalt de keuze uit de mogelijkheden.
Artikel 2.13.2.1.12.
Als de vacante functie zowel door functiewijziging als door graadverandering toegankelijk is, dan is artikel 2.13.2.1.11. van toepassing voor de wijze waarop nagegaan wordt of de kandidaten voldoen aan de competentievereisten voor de functie.
Artikel 2.13.2.1.13.
Het personeelslid behoudt na de heraanstelling in een andere functie, ongeacht of die tot dezelfde of tot een andere graad behoort, de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het verworven had in de functionele loopbaan van zijn vorige functie.
Het personeelslid dat heraangesteld wordt in een functie waarmee een andere functionele loopbaan met andere salarisschalen verbonden is, behoudt zijn schaalanciënniteit en wordt met die schaalanciënniteit ingeschaald in de overeenstemmende salarisschaal van de nieuwe functionele loopbaan. Het personeelslid dat als gevolg van die inschaling een lager jaarsalaris zou krijgen, behoudt zijn vorig jaarsalaris op persoonlijke titel zolang dat gunstiger is.
De graadanciënniteit wordt na een graadverandering vastgesteld op basis van een vergelijking van de diensten in de vorige graad met de voorwaarden en met het functieprofiel van de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt op een wijze als bepaald in artikel 2.10.1.1.10.
Artikel 2.13.2.1.14.
De selectie gebeurt ofwel geheel of gedeeltelijk door Poolstok of een ander erkend extern selectiebureau ofwel door een selectiecommissie conform de bepalingen van hoofdstuk 2.3.
Artikel 2.13.2.1.15.
De selectiecommissie formuleert op basis van het interview een conclusie over de geschiktheid of de ongeschiktheid van de kandidaten en stelt een rangorde van geschikt bevonden kandidaten voor.
Artikel 2.14.1.1.1.
Deze afdeling is van toepassing op personeelsleden van het eigen OCMW.
Artikel 2.14.1.1.2.
De externe personeelsmobiliteit voor personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.1.1.1. van deze rechtspositieregeling wordt verwezenlijkt op de volgende manieren:
1. door deelname aan de procedure voor interne personeelsmobiliteit;
2. door deelname aan de bevorderingsprocedure.
Bij de toepassing van de externe personeelsmobiliteit voor personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.1.1.1. van deze rechtspositieregeling worden dus niet alleen personeelsleden in dienst bij de gemeente uitgenodigd om zich kandidaat te stellen voor de vacante functie, maar ook de personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.1.1.1. van deze rechtspositieregeling.
Artikel 2.14.1.1.3.
De externe personeelsmobiliteit voor personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.1.1.1. van deze rechtspositieregeling is enkel van toepassing op de volgende functies:
1. de statutaire functies;
2. bestendige contractuele functies in het organogram.
Ze is niet van toepassing op de functie van algemeen directeur of financieel directeur.
Artikel 2.14.1.1.4. Kandidaten
De volgende personeelsleden kunnen zich kandidaat stellen voor deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit of voor deelname aan de bevorderingsprocedure voor een vacature:
1. de vast aangestelde statutaire personeelsleden, ongeacht hun administratieve toestand;
2. de contractuele personeelsleden die beantwoorden aan de criteria om bij hun eigen overheid in aanmerking te komen voor deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit, respectievelijk aan de bevorderingsprocedure.
Artikel 2.14.1.1.5.
Als de aanstellende overheid bij de vacantverklaring van een functie beslist, dat ze een beroep doet op externe personeelsmobiliteit voor personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.1.1.1. van deze rechtspositieregeling deelt ze haar beslissing mee aan het OCMW, samen met het verzoek aan het OCMW de vacature intern bekend te maken.
Artikel 2.14.1.1.6. Bekendmaking vacature
De regels over het vacaturebericht, over de wijze van kandidaatstelling en over de termijn voor de kandidaatstelling die van toepassing zijn bij de procedure van interne personeelsmobiliteit en bij de bevorderingsprocedure, zijn ook van toepassing als de aanstellende overheid een beroep doet op kandidaten van het OCMW.
De bekendmaking van de vacature door het OCMW gebeurt via de interne bekendmakingskanalen die in de plaatselijke rechtspositieregeling van het OCMW gebruikt worden bij de toepassing van de procedure van interne personeelsmobiliteit, respectievelijk de bevorderingsprocedure.
Artikel 2.14.1.1.7. Aanstellingsvoorwaarden
Het personeelslid van het OCMW dat zich kandidaat stelt voor deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit, moet voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan de voorwaarden voor de interne personeelsmobiliteit.
Het personeelslid van het OCMW dat zich kandidaat stelt voor deelname aan de bevorderingsprocedure, moet voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden en aan bevorderingsvoorwaarden voor de vacante functie.
Artikel 2.14.1.1.8. Selectie
Kandidaten van het OCMW moeten op dezelfde wijze als kandidaten van de gemeente:
1. aantonen dat ze voldoen aan de competentievereisten voor de vacante functie bij deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit;
2. slagen voor de selectieprocedure bij deelname aan de bevorderingsprocedure.
Artikel 2.14.1.1.9. Aanstelling
De geselecteerde kandidaat die overkomt van het OCMW, wordt aangesteld in de functie waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. De kandidaat voor een statutaire functie wordt in statutair dienstverband aangesteld. De kandidaat voor een contractuele functie wordt in contractueel dienstverband aangesteld.
Artikel 2.14.1.1.10.
De aanstellende overheid bezorgt een kopie van de aanstellingsbeslissing aan de overheid van herkomst van de kandidaat.
De aanstellende overheid bepaalt de datum of de termijn van indiensttreding van het geselecteerde personeelslid.
Het personeelslid dat overkomt van het OCMW legt bij zijn indiensttreding opnieuw de eed af.
Artikel 2.14.1.1.11. Salarisschaal, schaalanciënniteit en geldelijke anciënniteit
§ 1. Het personeelslid dat overkomt van het OCMW als gevolg van deelname aan de procedure van interne personeelsmobiliteit behoudt na zijn aanstelling in de nieuwe functie de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het verworven had in de functionele loopbaan van zijn vorige functie, als met de nieuwe functie dezelfde functionele loopbaan verbonden is.
Als het personeelslid aangesteld wordt in een functie van dezelfde rang waarmee een andere functionele loopbaan met andere salarisschalen verbonden is, dan behoudt het zijn schaalanciënniteit en wordt het met die schaalanciënniteit ingeschaald in de daarmee overeenstemmende salarisschaal van de nieuwe functionele loopbaan.
§ 2. Het personeelslid dat overkomt van het OCMW als gevolg van deelname aan de bevorderingsprocedure krijgt na zijn aanstelling in de nieuwe functie de eerste salarisschaal van de functionele loopbaan die verbonden is met de nieuwe functie. De schaalanciënniteit begint opnieuw vanaf nul te lopen.
De regeling van de gegarandeerde salarisverhoging bij bevordering naar een graad van een hoger niveau is ook van toepassing op het personeelslid dat als gevolg van een bevordering naar een graad van een hoger niveau overkomt van het OCMW.
§ 3. In afwijking van paragraaf 1 wordt ervaring in de privésector of als zelfstandige die bij het OCMW gevaloriseerd werd in de schaalanciënniteit, alleen gevaloriseerd in de schaalanciënniteit binnen de grenzen van de valorisatieregeling bij de gemeente zoals bepaald in artikel 2.10.1.1.11. van deze rechtspositieregeling.
Ervaring in de privésector of als zelfstandige die bij het OCMW werd in de geldelijke anciënniteit, wordt alleen gevaloriseerd in de geldelijke anciënniteit binnen de grenzen van de valorisatieregeling bij de gemeente zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van deze rechtspositieregeling.
Artikel 2.14.1.1.12. Andere administratieve anciënniteiten
De niveau-anciënniteit en de dienstanciënniteit die het personeelslid verworven had bij het OCMW, worden volledig in aanmerking genomen voor de vaststelling van de niveau-anciënniteit en de dienstanciënniteit.
De regels voor de vaststelling van de graadanciënniteit na aanstelling in een andere graad bij de toepassing van de procedure van interne personeelsmobiliteit zijn ook van toepassing op het personeelslid dat overkomt van het OCMW en dat aangesteld wordt in een andere graad.
Na bevordering neemt de graadanciënniteit in de nieuwe graad een aanvang.
Artikel 2.14.1.1.13. Verloven en afwezigheden
Het personeelslid dat overkomt van het OCMW, is onderworpen aan de regels over de jaarlijkse vakantie, de feestdagen en de andere verloven en afwezigheden die gelden bij de gemeente. Er zijn geen overgangsbepalingen van toepassing.
De regels over het ziektekrediet bij de gemeente zijn van toepassing, met dien verstande dat de jaren dienstactiviteit en de al opgenomen ziektekredietdagen bij het OCMW , meegerekend worden voor de vaststelling van het aantal dagen ziektekrediet.
Artikel 2.14.2.1.1.
Deze afdeling is van toepassing op personeelsleden van de volgende overheden:
1. de andere gemeenten dan de eigen gemeente;
2. de andere OCMW’s dan het eigen OCMW. Deze afdeling is niet van toepassing op het personeel van het ziekenhuis in eigen beheer;
3. de OCMW-verenigingen, met uitzondering van de ziekenhuisverenigingen;
4. de andere autonome gemeentebedrijven (AGB) dan het eigen AGB;
5. de provincies;
6. de autonome provinciebedrijven;
7. de diensten van de Vlaamse overheid, waaronder verstaan wordt, de diensten die onder het toepassingsgebied vallen van het Vlaams Personeelsstatuut.
Artikel 2.14.2.1.2.
Bij toepassing van deze procedure van externe personeelsmobiliteit worden de personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.2.1.1. van deze rechtspositieregeling of de personeelsleden van een bepaald segment van die overheidsarbeidsmarkt, uitgenodigd om zich kandidaat te stellen voor de vacante functie.
Onder segment van die overheidsarbeidsmarkt wordt verstaan:
1. één of meer soorten lokale of provinciale overheden, als vermeld in artikel 2.14.2.1.1. van deze rechtspositieregeling;
2. de diensten van de Vlaamse overheid.
De procedure van externe personeelsmobiliteit voor personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.2.1.1. van deze rechtspositieregeling is van toepassing op de volgende functies:
1. statutaire functies;
2. bestendige contractuele functies in het organogram.
Artikel 2.14.2.1.3.
De procedure van externe personeelsmobiliteit voor personeelsleden bedoeld in artikel 2.14.2.1.1. van deze rechtspositieregeling is niet van toepassing op de functie van algemeen directeur of financieel directeur.
Artikel 2.14.2.1.4. Kandidaten
De volgende personeelsleden kunnen zich kandidaat stellen voor deelname aan een procedure van externe personeelsmobiliteit:
1. de vast aangestelde statutaire personeelsleden in een gelijkwaardige graad;
2. de contractuele personeelsleden in een gelijkwaardige graad die bij de eigen overheid werden aangeworven na een externe bekendmaking van de vacature en een gelijkwaardige selectieprocedure als van toepassing op vacatures in statutaire functies.
Onder gelijkwaardige graad wordt verstaan:
1. voor personeelsleden uit de lokale en provinciale overheden vermeld in artikel 2.14.2.1.1., 1., 2., 3., 4., 5. en 6.: een graad van hetzelfde niveau en van dezelfde rang in de hiërarchie van de graden waaraan dezelfde functionele loopbaan en salarisschalen verbonden zijn en met vergelijkbare voorwaarden en een vergelijkbaar functieprofiel;
2. voor personeelsleden uit de hulpverleningszone of de politiezone of uit de diensten van de Vlaamse overheid: een graad van hetzelfde niveau en van dezelfde rang waaraan vergelijkbare salarisschalen verbonden zijn en met vergelijkbare voorwaarden en een vergelijkbaar functieprofiel.
Met dezelfde functionele loopbaan en salarisschalen in punt 1., worden gelijkgesteld:
1. de functionele loopbaan en salarisschalen A1a-A1b-A2a en A1a-A2a-A3a voor de basisgraad van niveau A;
2. de functionele loopbaan en salarisschalen A6a-A6b-A7a en A6a-A7a-A7b voor de specifieke basisgraad van niveau A.
Artikel 2.14.2.1.5.
De aanstellende overheid beslist bij de vacantverklaring van een functie of ze een beroep doet op de procedure van externe personeelsmobiliteit. In voorkomend geval bepaalt ze op welk segment van de overheidsarbeidsmarkt ze een beroep doet.
Artikel 2.14.2.1.6. Bekendmaking vacature
De functies die vacant verklaard worden met het oog op de toepassing van de procedure van externe personeelsmobiliteit, worden meegedeeld aan Poolstok, dat zorgt voor de bekendmaking van de vacature op de eigen website.
Als de vacante functie gelijktijdig ook via andere procedures kan worden vervuld, gebeurt de bekendmaking hiervan volgens de in deze rechtspositieregeling bepaalde bekendmakingskanalen.
De regels over het vacaturebericht, over de wijze van kandidaatstelling en over de minimale termijn voor de kandidaatstelling die gelden bij aanwerving, zijn ook van toepassing als de
aanstellende overheid een beroep doet op de procedure van externe personeelsmobiliteit.
Artikel 2.14.2.1.7. Aanstellingsvoorwaarden
Het personeelslid dat zich kandidaat stelt voor deelname aan de procedure van externe personeelsmobiliteit, moet:
1. voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.14.2.1.4. van deze rechtspositieregeling;
2. voldoen aan de algemene toelatingsvoorwaarden;
3. voldoen aan de vereiste over de taalkennis, opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
4. beschikken over een door de aanstellende overheid gevraagde specifieke ervaring in de gelijkwaardige graad;
5. een gunstig evaluatieresultaat gekregen hebben voor de laatste evaluatie of in de 12 voorafgaande maanden geen ongunstige beoordeling hebben;
6. zo nodig, beschikken over het vereiste diploma.
De aanstellende overheid beoordeelt de geldigheid van de ingediende kandidaturen.
De kandidaten moeten slagen voor een functie-specifieke selectie, die aantoont dat ze voldoen aan de competentievereisten, vastgesteld in de functiebeschrijving voor de functie.
Artikel 2.14.2.1.8. Aanstelling
De geselecteerde kandidaat die overkomt van een andere overheid, wordt aangesteld in de functie waarvoor hij zich kandidaat gesteld heeft. De kandidaat voor een statutaire functie wordt in statutair dienstverband aangesteld. De kandidaat voor een contractuele functie wordt in contractueel dienstverband aangesteld.
personeelslid wordt onderworpen aan een proeftijd/inwerktijd overeenkomstig artikel 2.7.2.1.1.
Artikel 2.14.2.1.9.
De aanstellende overheid bezorgt een kopie van de aanstellingsbeslissing aan de overheid van herkomst van de kandidaat.
De aanstellende overheid bepaalt de datum of de termijn van indiensttreding van het geselecteerde personeelslid.
Het personeelslid dat overkomt van een andere overheid, legt bij zijn indiensttreding opnieuw de eed af.
Artikel 2.14.2.1.10. Salarisschaal, schaalanciënniteit en geldelijke anciënniteit
§ 1. Het personeelslid dat overkomt van een andere lokale of provinciale overheid behoudt na de aanstelling in een nieuwe functie als gevolg van deelname aan de procedure van externe personeelsmobiliteit de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het verworven had in de functionele loopbaan van zijn vorige functie.
Het personeelslid dat overkomt van een hulpverleningszone, van een politiezone of van de diensten van de Vlaamse overheid, krijgt de functionele loopbaan die verbonden is met de graad waarin het wordt aangesteld. Het personeelslid wordt ingeschaald in een salarisschaal van die functionele loopbaan in overeenstemming met de al verworven geldelijke anciënniteit en met de gecumuleerde schaalanciënniteit, verworven in de functionele loopbaan van zijn graad van herkomst.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1 wordt ervaring in de privésector of als zelfstandige die bij de andere overheid gevaloriseerd werd in de schaalanciënniteit, alleen gevaloriseerd in de schaalanciënniteit binnen de grenzen van de valorisatieregeling bij de gemeente zoals bepaald in artikel 2.10.1.1.11. van deze rechtspositieregeling.
Ervaring in de privésector of als zelfstandige die bij de andere overheid gevaloriseerd werd in de geldelijke anciënniteit, wordt alleen gevaloriseerd in de geldelijke anciënniteit binnen de grenzen van de valorisatieregeling bij de gemeente zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van deze rechtspositieregeling.
Artikel 2.14.2.1.11. Andere administratieve anciënniteiten
De niveau-anciënniteit en de dienstanciënniteit die het personeelslid verworven had bij de andere overheid, worden volledig in aanmerking genomen voor de vaststelling van de niveau-anciënniteit en de dienstanciënniteit.
De regels voor de vaststelling van de graadanciënniteit na aanstelling in een andere graad bij de toepassing van de procedure van interne personeelsmobiliteit zijn ook van toepassing op het personeelslid dat met toepassing van de externe personeelsmobiliteit overkomt van de andere overheid en dat aangesteld wordt in een andere graad.
Artikel 2.14.2.1.12. Verloven en afwezigheden
Het personeelslid dat overkomt van een andere overheid, is onderworpen aan de regels over de jaarlijkse vakantie, de feestdagen en de andere verloven en afwezigheden die gelden bij de gemeente. Er zijn geen overgangsbepalingen van toepassing.
De regels over het ziektekrediet die gelden bij de gemeente zijn van toepassing, met dien verstande dat de jaren dienstactiviteit en de al opgenomen ziektekredietdagen bij de overheid van herkomst, meegerekend worden voor de vaststelling van het aantal dagen ziektekrediet.
Voor personeelsleden uit de diensten van de Vlaamse overheid, wordt het aantal ziektekredietdagen omgerekend van de 666-dagenregeling, naar de 21-dagenregeling. Hierbij wordt volgende omrekeningsformule gebruikt: het aantal dagen dienstactiviteit, maal 21 dagen/jaar = het nieuw aantal ziektekredietdagen, te verminderen met het aantal ziektekredietdagen dat al werd opgenomen.
Artikel 2.15.1.1.1.
In toepassing van artikel 185 van het decreet kan de gemeenteraad statutair personeel ter beschikking stellen van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente die het OCMW bedient, mits de geldende rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel nageleefd wordt en mits goedkeuring door de raad voor maatschappelijk welzijn.
Artikel 2.15.1.1.2.
De terbeschikkingstelling is tijdelijk en wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn.
Artikel 2.15.1.1.3.
De aanstellende overheid beslist, over de individuele terbeschikkingstelling van het personeelslid en sluit een overeenkomst van terbeschikkingstelling.
Artikel 2.16.1.1.1.
In toepassing van artikel 197 van het decreet kan de gemeenteraad personeel overdragen aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn dat de gemeente bedient, mits de geldende rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel nageleefd wordt en mits goedkeuring door de raad voor maatschappelijk welzijn.
Artikel 2.16.1.1.2.
Bij toepassing van artikel 2.16.1.1.1 wordt het betrokken personeelslid minstens 6 maanden voorafgaand aan de overdracht op de hoogte gebracht over de intentie van het gemeentebestuur om artikel 2.16.1.1.1 toe te passen. In onderling akkoord kan een kortere termijn bepaald worden.
Artikel 2.16.1.1.3.
Het vast aangesteld statutair personeelslid kan bezwaar aantekenen bij de aanstellende overheid door middel van een bezwaarschrift. Dat bezwaarschrift moet binnen de maand tegen ontvangstbewijs worden afgegeven bij de algemeen directeur. De aanstellende overheid hoort het personeelslid binnen de maand te rekenen vanaf de afgifte van het bezwaarschrift. Het personeelslid kan zich hierbij laten bijstaan door een persoon naar keuze.
Binnen een periode van 14 dagen te rekenen vanaf de hoorzitting wordt het personeelslid op de hoogte gebracht van het definitieve besluit van de aanstellende overheid. Het besluit wordt behoorlijk gemotiveerd.
Het contractueel personeelslid moet zich schriftelijk akkoord verklaren met de overdracht en krijgt een
nieuwe arbeidsovereenkomst op het ogenblik van de overdracht.
Artikel 2.16.2.1.1.
Het personeelslid dat overgedragen wordt naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn blijft voor de verdere duur van zijn loopbaan onder de rechtspositieregeling van de gemeente vallen en behoudt alle geldelijke voordelen zoals deze in de rechtspositieregeling worden bepaald. Het betreft hierbij in het bijzonder het loon en de daaraan gekoppelde functionele loopbaan, alle opgebouwde en toegewezen anciënniteiten, de bepalingen inzake verloven en afwezigheden en de bepalingen inzake sociale voordelen.
Artikel 2.16.2.1.2.
Het personeelslid dat overgedragen wordt naar het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn valt na de overdracht onder de bepalingen van het OCMW wat betreft de beoordeling, de vorming en de interne personeelsmobiliteit.
Artikel 2.16.2.1.3.
Het personeelslid kan gedurende zijn verdere loopbaan op ieder moment beslissen om over te stappen naar de rechtspositieregeling van het OCMW.
Artikel 2.17.1.1.1.
§ 1. Met toepassing van de artikelen 16 tot en met 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 mei 2011 over de externe personeelsmobiliteit kan de aanstellende overheid samen met de aanstellende overheid van het OCMW een gezamenlijke sollicitatieprocedure voeren.
De aanstellende overheden van gemeente en OCMW beslissen samen volgens welke procedure ze vervuld wordt:
1. door een aanwervingsprocedure;
2. door een bevorderingsprocedure, al dan niet in combinatie met de toepassing van Hoofdstuk 2.14, Afdeling 2.14.1. van deze rechtspositieregeling;
3. door een procedure van interne personeelsmobiliteit, al dan niet in combinatie met de toepassing van Hoofdstuk 2.14., Afdeling 2.14.1. van deze rechtspositieregeling;
4. door een procedure van externe personeelsmobiliteit, conform Hoofdstuk 2.14., Afdeling 2.14.2. van deze rechtspositieregeling
5. door een combinatie van hogervermelde procedures.
De gemeenschappelijke sollicitatieprocedure bestaat uit een gezamenlijke externe oproep en een gezamenlijke selectie.
§ 2. Wanneer de aanstellende overheid gebruik maakt van de mogelijkheid omschreven in de eerste paragraaf, kan ze, samen met de aanstellende overheid van het OCMW, beslissen om een gezamenlijke wervingsreserve en/of een gezamenlijke bevorderingsreserve aan te leggen. In dat geval zijn afdeling 2.3.3. en afdeling 2.12.3. van deze rechtspositieregeling van toepassing.
Artikel 2.17.2.1.1.
De aanstellende overheid kan met één of meer overheden een samenwerkingsovereenkomst sluiten voor de gezamenlijke werving en selectie van hun personeel en, in voorkomend geval, voor het aanleggen van gemeenschappelijke wervingsreserves.
Artikel 3.1.1.1.1.
Deze afdeling is niet van toepassing op de waarneming in de functies van algemeen directeur en financieel directeur van de gemeente.
Artikel 3.1.1.1.2.
Als de titularis van een functie tijdelijk afwezig is of als de functie definitief vacant is, kan de aanstellende overheid beslissen dat de functie waargenomen wordt door een personeelslid van een lagere graad.
Onder lagere graad wordt elke graad verstaan die door bevordering rechtstreeks toegang geeft tot de waar te nemen functie.
De waarnemer moet niet aan de bevorderingsvoorwaarden voor de waar te nemen functie voldoen.
Artikel 3.1.1.1.3.
De aanstellende overheid beslist op voorstel van het hoofd van het personeel wie de hogere functie waarneemt na vergelijking van de kandidaten die hiervoor in aanmerking komen en zich kandidaat gesteld hebben.
Artikel 3.1.1.1.4.
De waarneming van een hogere functie in een betrekking die definitief vacant is, mag ten hoogste zes maanden duren. Die termijn mag, als het noodzakelijk is voor de goede werking van de dienst, verlengd worden op voorwaarde dat de procedure om de betrekking definitief te vervullen op het ogenblik van de verlenging ingezet is.
Artikel 3.1.1.1.5.
De waarnemer van de hogere functie beschikt over alle prerogatieven die verbonden zijn met de functie.
Artikel 3.1.1.1.6.
Een functie kan waargenomen worden zowel door een vast aangesteld personeelslid als door een contractueel personeelslid.
Artikel 3.1.1.1.7.
Indien de waarnemer van een hogere functie een vast aangesteld statutair personeelslid is, krijgt hij de toelage, vermeld in afdeling 7.4.3.
Artikel 3.1.1.1.8.
Een contractueel personeelslid in dienst dat met de waarneming instemt, komt voor de waarneming van een hogere functie in aanmerking onder dezelfde voorwaarden als het vast aangestelde statutaire personeelslid, met dien verstande dat:
Er wordt een addendum gemaakt bij de bestaande arbeidsovereenkomst waaruit de instemming van de contractant blijkt.
Artikel 3.2.1.1.1.
De gemeenteraad regelt de vervanging van de algemeen directeur en de financieel directeur bij hun afwezigheid of verhindering.
Er wordt in elk geval in een waarneming van het ambt van algemeen directeur of financieel directeur voorzien als de afwezigheid of verhindering van de algemeen directeur of financieel directeur langer dan honderdtwintig dagen duurt of als het ambt vacant werd verklaard.
De waarnemend algemeen directeur en de waarnemend financieel directeur oefenen alle bevoegdheden uit die aan het ambt verbonden zijn.
Artikel 4.1.1.1.1.
De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang gebeurt op initiatief van het gemeentebestuur.
Ze houdt in dat het vast aangestelde statutaire personeelslid herplaatst wordt in een andere, passende functie van dezelfde graad of in een passende functie van een andere graad van dezelfde rang.
Artikel 4.1.1.1.2.
De aanstellende overheid beslist over de ambtshalve herplaatsing. Ze voert hierover vooraf een gesprek met het vast aangestelde statutaire personeelslid. De herplaatsing is niet tijdelijk, maar definitief.
Het personeelslid wordt ten minste tien kalenderdagen vooraf schriftelijk uitgenodigd voor het gesprek, vermeld in het eerste lid, en geïnformeerd over de passende functie of functies die voorgesteld worden.
Artikel 4.1.1.1.3.
De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang wordt toegepast als de betrekking van een vast aangesteld statutair personeelslid afgeschaft wordt en het personeelslid zijn betrekking niet in overgangsregeling behoudt en als de gemeenteraad geen stelsel van disponibiliteit wegens ambtsopheffing heeft vastgesteld.
Artikel 4.1.1.1.4.
De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang kan ook toegepast worden als een vast aangesteld statutair personeelslid door de bevoegde gezondheidsdienst ongeschikt verklaard werd om zijn functie nog langer uit te oefenen, maar wel geschikt geacht wordt om een andere functie uit te oefenen die verenigbaar is met zijn gezondheidstoestand.
Artikel 4.1.1.1.5.
De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang kan ook toegepast worden voor een vast aangesteld personeelslid met een ongunstige beoordeling (toepassing artikel 2.8.3.2.5.) als eventueel alternatief voor het ontslag wegens beroepsongeschiktheid.
Het alternatief van de herplaatsing na een ongunstige beoordeling kan slechts toegepast worden als er een passende functie vacant is en als blijkt dat de beoordeling aantoont dat het personeelslid beschikt over competenties die in de andere functie beter tot hun recht komen.
Artikel 4.1.1.1.6.
De ambtshalve herplaatsing in een functie van dezelfde rang wegens afschaffing van de betrekking is alleen mogelijk in een vacante functie.
Artikel 4.1.1.1.7.
De ambtshalve herplaatsing wegens afschaffing van de betrekking heeft voorrang op de vervulling van de vacature door een procedure van aanwerving, bevordering of interne personeelsmobiliteit.
Artikel 4.1.1.1.8.
Als er meerdere overtallige personeelsleden in aanmerking komen voor ambtshalve herplaatsing in een vacature gelden in volgorde de volgende criteria om de voorrang van de personeelsleden te bepalen:
Artikel 4.1.1.1.9.
Het personeelslid behoudt na de ambtshalve herplaatsing de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het verworven had in zijn vorige functie.
Als het personeelslid herplaatst wordt in een functie van een andere graad, wordt graadanciënniteit toegekend in overeenstemming met de bepalingen van artikel 2.10.1.1.9.
Artikel 4.2.1.1.1.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid dat na een bevordering een ongunstig beoordelingsresultaat krijgt bij afloop van de proeftijd, wordt opnieuw aangesteld in zijn vorige functie, of in een andere, vacante functie van zijn vorige graad, als zijn vorige functie niet meer vacant is.
Het personeelslid krijgt opnieuw de salarisschaal die het verworven had in zijn vorige functie of graad.
De schaalanciënniteit die opgebouwd werd in de functie van de hogere graad tijdens de proeftijd, wordt overgedragen naar de schaalanciënniteit in de functie van de lagere graad.
Artikel 4.2.1.1.2.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid kan op initiatief van het bestuur herplaatst worden in een functie van een lagere graad wanneer de bevoegde gezondheidsdienst het personeelslid niet langer geschikt acht om zijn functie of een functie van dezelfde graad uit te oefenen, maar wel geschikt acht voor de uitoefening van een passende functie van een lagere graad.
Voor de vaststelling van het salaris, de salarisschaal en de schaalanciënniteit wordt rekening gehouden met het salaris, de salarisschaal en de schaalanciënniteit die het personeelslid verworven had in zijn vorige graad.
Artikel 4.2.1.1.3.
Een vast aangesteld statutair personeelslid dat om functionele of persoonlijke redenen zelf verzoekt om herplaatsing in een functie van een lagere graad, kan worden aangesteld in een vacante passende functie van een lagere graad. Die vorm van herplaatsing kan slechts éénmaal tijdens de loopbaan toegekend worden.
Het personeelslid krijgt binnen de functionele loopbaan die verbonden is met zijn nieuwe graad, de salarisschaal waarvan het maximumbedrag het kleinste verschil vertoont met het maximumbedrag van zijn vorige salarisschaal. Als aan de functie van de vorige graad een functionele loopbaan verbonden was, wordt de schaalanciënniteit die het betrokken personeelslid had opgebouwd in zijn laatste salarisschaal, overgedragen op de nieuwe salarisschaal.
Artikel 4.2.1.1.4.
De aanstellende overheid beslist over de ambtshalve herplaatsing, vermeld in hoofdstuk 4.2. Ze voert hierover vooraf een gesprek met het personeelslid. De herplaatsing is niet tijdelijk, maar definitief.
Het betrokken personeelslid wordt ten minste tien kalenderdagen vooraf schriftelijk uitgenodigd voor het gesprek, vermeld in het eerste lid, en geïnformeerd over de passende functie of functies die voorgesteld worden.
Artikel 4.3.1.1.1.
Het contractuele personeelslid dat na een bevordering niet in aanmerking komt voor aanstelling in die functie, wordt, als het daarmee instemt, opnieuw aangesteld in zijn vorige functie.
Op voorwaarde dat het contractuele personeelslid daarmee instemt en zover er in de contractuele betrekkingen van het organogram een passende functie van dezelfde rang vacant is, kan de herplaatsing om gezondheidsredenen en op eigen verzoek als vastgesteld voor de vast aangestelde statutaire personeelsleden onder dezelfde voorwaarden toegepast worden op contractuele personeelsleden.
Artikel 5.1.1.1.1.
Het statutaire personeelslid kan zijn hoedanigheid van statutair personeelslid verliezen naar aanleiding van:
1. een tuchtstraf;
2. de vervroegde pensionering om medische redenen en wegens invaliditeit.
Naast de gevallen vermeld onder punt 1 en 2, en met behoud van toepassing van andere wettelijke en decretale bepalingen kan niemand de hoedanigheid van statutair personeelslid verliezen, tenzij in de gevallen die bepaald zijn in artikel 5.1.1.1.2.
Artikel 5.1.1.1.2.
Ambtshalve wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van statutair personeelslid als:
1. de statutaire aanstelling onregelmatig werd bevonden binnen de termijn voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State of, als een zodanig beroep is ingesteld, tijdens de procedure;
2. het statutaire personeelslid niet meer voldoet aan de voor zijn functie geldende nationaliteitsvereiste, of de burgerlijke en politieke rechten niet meer geniet, of zijn medische ongeschiktheid voor de functie behoorlijk werd vastgesteld;
3. het statutaire personeelslid zonder geldige reden de werkpost verlaat of na een toegelaten afwezigheid zonder geldige reden en na schriftelijke aanmaning het werk niet hervat na meer dan tien dagen;
4. het statutaire personeelslid zich in een toestand bevindt waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging tot gevolg heeft.
De termijn, vermeld in punt 1, geldt niet in het geval van arglist of bedrog vanwege het statutaire personeelslid.
Artikel 5.1.1.1.3.
In de gevallen vermeld in artikel 5.1.1.1.2. wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van statutair personeelslid zonder opzeggingstermijn of verbrekingsvergoeding.
Het personeelslid van wie de aanstelling onregelmatig werd bevonden als vermeld in artikel 5.1.1.1.2 punt 1 na arglist of bedrog, wordt op staande voet ontslagen, ongeacht het tijdstip waarop die onregelmatigheid werd vastgesteld.
Artikel 5.1.1.1.4.
De aanstellende overheid stelt het verlies van de hoedanigheid van statutair personeelslid vast en beslist tot ontslag van het betrokken personeelslid. Het personeelslid wordt vooraf gehoord en kan zich laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze.
Artikel 5.1.1.1.5.
Het ontslag wordt met een aangetekende brief betekend. De brief deelt het besluit en de redenen ervoor mee en vermeldt de ingangsdatum van het ontslag. Het ontslag gaat niet in met terugwerkende kracht. Het ontslag gaat in de eerste dag van de maand volgend op zijn betekening.
Artikel 5.1.1.1.6.
In afwijking van artikel 5.1.1.1.2 punt 1 voor wie de onregelmatigheid niet te wijten is aan arglist of bedrog van zijn kant, krijgt een verbrekingsvergoeding. Het bedrag van de verbrekingsvergoeding is gelijk aan het loon van drie maanden per begonnen periode van vijf jaar dienstanciënniteit.
Artikel 5.1.1.1.7.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid wordt bij zijn ontslag geïnformeerd over alle verplichtingen van bestuur en personeelslid die voortvloeien uit de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse andere bepalingen.
Artikel 5.2.1.1.1.
De volgende zaken geven aanleiding tot de definitieve ambtsneerlegging van het statutaire personeelslid op proef:
Het statutaire personeelslid op proef dat tijdens de proeftijd na aanwerving in totaal gedurende drie maanden afwezig is wegens ziekte of invaliditeit, kan ontslagen worden.
Artikel 5.2.1.1.2.
De volgende zaken geven aanleiding tot de definitieve ambtsneerlegging van het vast aangestelde statutaire personeelslid:
1. het vrijwillige ontslag;
2. de definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid na twee opeenvolgende beoordelingsgesprekken met een ongunstig resultaat zoals vermeld in artikel 2.8.3.2.1.;
3. de pensionering ingevolge de toepassing van de pensioenwetgeving;
4. bereiken van de wettelijke pensioenleeftijd.
In afwijking van het eerste lid, punt 4, kan de aanstellende overheid het vast aangestelde statutaire personeelslid na het bereiken van wettelijke pensioenleeftijd in dienst houden. Het statutaire dienstverband wordt verlengd op verzoek van de aanstellende overheid of op verzoek van het personeelslid. In het eerste geval is de uitdrukkelijke instemming van het personeelslid vereist. In het tweede geval is de uitdrukkelijke instemming van de aanstellende overheid vereist. In beide gevallen verleent de aanstellende overheid de verlenging voor een periode van hoogstens één jaar, telkens verlengbaar met hoogstens één jaar. Het betrokken personeelslid behoudt gedurende de volledige periode van de verlenging de hoedanigheid van vast aangesteld statutair personeelslid.
Artikel 5.2.1.1.3.
Het statutaire personeelslid dat vrijwillig ontslag neemt, stelt de aanstellende overheid daarvan schriftelijk tegen ontvangstbewijs in kennis en doet een voorstel van opzegtermijn en datum van ingang hiervan.
De aanstellende overheid neemt binnen de 14 kalenderdagen kennis van de aanvraag tot ontslag en brengt het personeelslid schriftelijk binnen de 14 kalenderdagen na kennisname op de hoogte of zij akkoord gaat met het voorstel. De opzegtermijn neemt een aanvang zodra de aanstellende overheid zich akkoord verklaard heeft met de opzegtermijn.
Indien de gemeenteraad de aanstellende overheid is, wordt het personeelslid na de eerstvolgende gemeenteraad schriftelijk op de hoogte gebracht.
Indien de aanstellende overheid niet akkoord gaat met het voorstel van datum waarop het personeelslid de dienst effectief verlaat, wordt deze datum vastgesteld in onderling akkoord tussen het personeelslid en de aanstellende overheid. Indien geen akkoord kan worden bereikt, worden de termijnen zoals omschreven in de wet op de arbeidsovereenkomsten toegepast rekening houdend met het statuut van arbeider of bediende.
Artikel 5.2.1.1.4.
Het statutaire personeelslid op proef dat wordt ontslagen wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid heeft een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag werd betekend.
Het ontslag wordt met een aangetekende brief betekend, waarbij het ontslag uitwerking heeft de eerste dag van de maand volgend op de betekening.
Artikel 5.2.1.1.5.
Het ontslag wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid van het vast aangestelde statutaire personeelslid wordt met een aangetekende brief betekend. Daarbij wordt de datum van uitwerking vermeld en wordt het personeelslid geïnformeerd over alle verplichtingen van bestuur en personeelslid die voortvloeien uit de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse andere bepalingen.
De opzeggingstermijn gaat in op de eerste dag van de maand die volgt op de betekening van het ontslag.
Artikel 5.2.1.1.6.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid dat wordt ontslagen wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid heeft een opzeggingstermijn van drie maanden.
Deze termijn wordt door geen enkele afwezigheid geschorst.
Artikel 5.2.1.1.7.
Het statutaire personeelslid, al dan niet op proef, dat ontslagen wordt wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid krijgt een dag of twee halve dagen dienstvrijstelling per week om te solliciteren. Het personeelslid stelt zijn leidinggevende op voorhand in kennis van de afwezigheid voor deelname aan de sollicitatieprocedure.
Artikel 5.2.1.1.8.
In onderling akkoord tussen het personeelslid en de aanstellende overheid kan de opzeggingstermijn van het vast aangestelde statutaire personeelslid dat ontslagen wordt wegens definitief vastgestelde beroepsongeschiktheid, worden ingekort.
Artikel 6.1.1.1.1.
Het jaarsalaris van het personeel is vastgelegd in salarisschalen, die bestaan uit:
Artikel 6.1.1.1.2.
Elke salarisschaal wordt aangeduid met één van de letters A, B, C, D, E die overeenstemmen met de niveaus, vermeld in artikel 6 van het rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel gevolgd door een cijfer en eventueel een kleine letter a, b of c.
Het eerste lid is niet van toepassing op de algemeen directeur en de financieel directeur.
Artikel 6.1.1.1.3.
Aan de graden worden de salarisschalen en de functionele loopbanen, vermeld in afdeling 2.11.2. verbonden die overeenkomen met de ernaast vermelde lettercijfercode. De uitgewerkte salarisschalen bevinden zich in bijlage I.
De salarisschaal van de algemeen directeur is de hoogste salarisschaal binnen de gemeentelijke organisatie.
Artikel 6.1.1.1.4.
Het personeelslid wordt bezoldigd in de salarisschaal die verbonden is aan zijn graad, zoals bepaald in artikel 6.1.1.1.3.
Het personeelslid ontvangt het salaris dat overeenstemt met zijn geldelijke anciënniteit. De geldelijke anciënniteit bestaat uit het aantal dienstjaren dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het salaris.
Het personeelslid dat geen recht heeft op het meerekenen van vroegere diensten, ontvangt het beginsalaris van de eerste salarisschaal van de functionele loopbaan die verbonden is aan zijn graad.
Het salaris van een deeltijds personeelslid wordt vastgesteld in verhouding tot zijn prestaties.
De algemeen directeur stelt het individuele jaarsalaris van de personeelsleden vast.
Artikel 6.2.1.1.1.
Voor de toekenning van periodieke salarisverhogingen komen alleen de werkelijke diensten in statutair of contractueel verband in aanmerking die het personeelslid als titularis van een bezoldigde betrekking heeft geleverd in dienst van:
Artikel 6.2.1.1.2.
Voor de toepassing van artikel 6.2.1.1.1. moet worden verstaan onder:
Artikel 6.2.2.1.1.
Beroepservaring in de privésector of als zelfstandige wordt volledig in aanmerking genomen voor de toekenning van periodieke salarisverhogingen, op voorwaarde dat ze relevant is voor de uitoefening van de functie en het om een knelpuntenberoep gaat. Indien geen knelpuntenberoep wordt maximum tien jaar in aanmerking genomen.
Artikel 6.2.2.1.2.
De relevantie van de beroepservaring wordt beoordeeld op basis van een vergelijking van die ervaring met de voorwaarden en met het functieprofiel voor de functie waarin het personeelslid aangesteld wordt.
Het personeelslid levert zelf de bewijsstukken van de beroepservaring.
De geldelijke anciënniteit die op die manier verkregen wordt, blijft behouden voor het verdere verloop van de loopbaan.
Artikel 6.2.3.1.1.
De diensten die in overeenstemming met artikel 113 tot en met 115 van het rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel gepresteerd werden, worden vanaf 1 januari 2008 voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit meegerekend voor honderd procent, ongeacht of ze voltijds dan wel deeltijds gepresteerd werden.
Voor diensten gepresteerd voor 1 januari 2008 geldt de regeling die op dat ogenblik van toepassing was in de rechtspositieregeling
Artikel 6.2.3.1.2.
De geldelijke anciënniteit, verworven in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende functies, wordt voor dezelfde periode maximaal voor een volledige prestatie gevaloriseerd. Ze is bovendien in actieve deeltijdse functies niet onderling cumuleerbaar voor de toekenning van de periodieke verhogingen.
Artikel 6.2.3.1.3.
De algemeen directeur stelt de duur vast van de in aanmerking komende diensten die het personeelslid in het onderwijs als interim of als tijdelijk personeelslid heeft gepresteerd aan de hand van het attest, verstrekt door de bevoegde autoriteiten.
De diensten, vermeld op het attest, die in tienden zijn betaald, en die per schooljaar geen volledig jaar werkelijke diensten vertegenwoordigen, worden dag per dag samengeteld. Het totale aantal zo gewerkte dagen wordt vermenigvuldigd met 1,2. Het totaal van de rekenkundige bewerking wordt vervolgens gedeeld door 30. Het quotiënt geeft het aantal in aanmerking te nemen maanden. Met de rest wordt geen rekening gehouden.
De diensten, vermeld op hetzelfde attest, die bewijzen dat het personeelslid een volledig schooljaar heeft gewerkt, gelden voor een totaal van driehonderd dagen en leveren één jaar in aanmerking te nemen diensten op.
Artikel 6.2.3.1.4.
De diensten die in aanmerking komen, worden berekend per kalendermaand. De diensten die niet zijn begonnen op de eerste dag van een maand of geëindigd op de laatste dag van een maand, worden niet meegerekend.
Artikel 6.3.1.1.1.
Personeelsleden die na een onderbreking terug in dienst komen, behouden hun destijds verworven geldelijke anciënniteit. Indien zij terug in dienst komen in dezelfde graad bij het bestuur, behouden zij hun totale geldelijke en schaalanciënniteit.
Artikel 6.3.1.1.2.
Het personeelslid dat bevorderd wordt of via een aanwervingsprocedure aangesteld wordt in een graad van een hoger niveau, krijgt in zijn nieuwe graad nooit een salaris dat lager is dan het salaris dat het in zijn vorige graad zou hebben gekregen.
Artikel 6.3.1.1.3.
Vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling heeft het personeelslid dat overgaat naar een graad van een hoger niveau na een aanwervings- of een bevorderingsprocedure ten minste recht op de volgende verhoging van zijn jaarsalaris tegen 100 %:
Als het jaarsalaris in de nieuwe graad niet ten minste het bedrag, vermeld in het eerste lid, hoger is dan het jaarsalaris dat het personeelslid in zijn oude graad zou hebben gekregen, wordt het jaarsalaris in de nieuwe graad verhoogd tot de minimale verhoging, vermeld in het eerste lid, bereikt wordt.
Die minimale salarisverhoging wordt gegarandeerd gedurende de hele functionele loopbaan in de graad waarnaar het personeelslid overgaat. Daartoe wordt telkens zijn oude salarisschaal, met inbegrip van de periodieke verhogingen, maar zonder het verloop in de functionele loopbaan, vergeleken met de nieuwe salarisschaal, met inbegrip van de toepassing van de periodieke verhogingen en het verloop in de functionele loopbaan.
Artikel 6.3.1.1.4.
De minimale salarisverhoging vermeld in artikel 6.3.1.1.3. is ook van toepassing als een personeelslid in dienst van het bestuur via een aanwervingsprocedure aangesteld wordt in een graad van een hoger niveau en wordt beschouwd als salaris.
Artikel 6.3.1.1.5.
De salarisschaal van de algemeen directeur wordt vastgesteld tussen volgend minimum en maximum: 39 294,07 – 58 036,33.
De salarisschaal van de financieel directeur wordt vastgesteld tussen volgend minimum en maximum: 37 016,16 – 54 671,90.
De salarisverhogingen van de algemeen directeur en de financieel directeur worden op evenredige wijze gespreid over vijftien jaar.
Als het inwoneraantal van de gemeente daalt onder het minimale aantal inwoners, op basis waarvan met toepassing van het eerste lid de salarisschaal van de algemeen directeur en financieel directeur werd vastgesteld dan behouden de algemeen directeur en de financieel directeur in dienst hun salarisschaal ten persoonlijke titel
De uitgewerkte salarisschalen van de algemeen directeur en de financieel directeur zijn opgenomen in bijlage II bij dit besluit.
Artikel 6.4.1.1.1.
Het salaris volgt het verloop van het indexcijfer van de consumptieprijzen in overeenstemming met de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het rijk worden gekoppeld. Het salaris tegen 100 % wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
Artikel 6.4.1.1.2.
Het salaris wordt maandelijks betaald vanaf de indiensttreding. Voor het vast aangestelde statutaire personeelslid wordt het vooruitbetaald. Het salaris van het overige personeel wordt betaald nadat de termijn vervallen is.
Artikel 6.4.1.1.3.
Het maandsalaris is gelijk aan een 1/12 van het jaarsalaris. Het uurloon is gelijk aan 1/1976 van het jaarsalaris.
Artikel 6.4.1.1.4.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid, het statutaire personeelslid op proef hoofdarbeider en de contractuele hoofdarbeider die in de loop van de maand in dienst treden, krijgen voor die maand zoveel dertigsten van de maand als er nog dagen zijn, te rekenen van en met de dag van indiensttreding.
Het statutaire personeelslid op proef handarbeider en de contractuele handarbeider die in de loop van de maand in dienst treden, krijgen voor die maand het gedeelte van het maandsalaris dat overeenstemt met de gepresteerde werkdagen.
Artikel 6.4.1.1.5.
Als het personeelslid in de loop van de maand met pensioen gaat of overlijdt, wordt het salaris voor de volledige maand betaald.
Artikel 6.4.1.1.6.
Alle onbezoldigde afwezigheden van het vast aangestelde statutaire personeelslid, het statutaire personeelslid op proef hoofdarbeider en de contractuele hoofdarbeider, worden berekend volgens het stelsel dat met dertigsten werkt. Wanneer het maandsalaris niet volledig verschuldigd is, wordt het bedrag ervan berekend door het volledige maandsalaris te vermenigvuldigen met een van de volgende breuken:
teller = het aantal gepresteerde dagen x 1,4
noemer = 30;
teller = 30 – (het aantal niet-gepresteerde dagen x 1,4)
noemer = 30.
Artikel 7.1.1.1.1.
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
Artikel 7.1.1.1.2.
Effectief gemaakte, bewezen en noodzakelijke kosten bij de uitoefening van de functie worden terugbetaald.
Artikel 7.2.1.1.1.
Het personeelslid heeft krachtens het decreet van 8 mei 2002 houdende wijziging van verschillende bepalingen betreffende de haard- en standplaatstoelage en het vakantiegeld van het gemeente- en provinciepersoneel recht op een haard- en standplaatstoelage indien aan onderstaande voorwaarden is voldaan.
Artikel 7.2.1.1.2.
Het gehuwde personeelslid, het personeelslid dat samenleeft, of het alleenstaande personeelslid van wie één of meer kinderen die recht geven op kinderbijslag deel uitmaken van het gezin, heeft recht op een haardtoelage van:
Artikel 7.2.1.1.3.
Het personeelslid dat geen recht heeft op een haardtoelage, ontvangt een standplaatstoelage van:
Artikel 7.2.1.1.4.
In het geval dat de twee echtgenoten of de twee personen die samenleven elk beantwoorden aan de voorwaarden om de haardtoelage te verkrijgen, wijzen ze in wederzijds akkoord diegene van de twee aan, aan wie de haardtoelage wordt uitbetaald. De standplaatstoelage wordt toegekend aan het personeelslid dat geen haardtoelage geniet.
Artikel 7.2.1.1.5.
Als het recht op de haard- en standplaatstoelage in de loop van een maand wijzigt, wordt voor de gehele maand het voordeligste stelsel toegepast.
Artikel 7.2.1.1.6.
De bezoldiging van het personeelslid wiens salaris hoger is dan 16 421,84 euro (100 %), respectievelijk 18 695,86 euro (100 %) mag niet kleiner zijn dan in het geval het salaris gelijk zou zijn aan dat bedrag. In voorkomend geval wordt een gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage toegekend.
Onder "bezoldiging" wordt in het eerste lid begrepen: het salaris verhoogd met de volledige of gedeeltelijke haard- of standplaatstoelage, verminderd met de inhouding voor het wettelijk pensioen.
Artikel 7.2.2.1.1.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid ontvangt een vakantiegeld in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 13 september 2002 betreffende de toekenning en de vaststelling van het vakantiegeld van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel.
Artikel 7.2.2.1.2.
In toepassing van artikel 59 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen ontvangt het op proef benoemde personeelslid een vakantiegeld in overeenstemming met titel III van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der werknemers.
Artikel 7.2.2.1.3.
In toepassing van artikel 59 van de wet van 25 januari 1999 houdende sociale bepalingen ontvangt het contractueel aangestelde personeelslid een vakantiegeld in overeenstemming met titel III van het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie der werknemers.
Artikel 7.2.2.1.4.
In afwijking op vorig artikel ontvangt het contractueel aangesteld personeelslid dat onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen, een vakantiegeld in overeenstemming met het besluit van de Vlaamse regering van 13 september 2002 betreffende de toekenning en de vaststelling van het vakantiegeld van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel.
Artikel 7.2.3.1.1.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
Artikel 7.2.3.1.2.
Het personeelslid ontvangt jaarlijks een eindejaarstoelage.
Artikel 7.2.3.1.3.
Het bedrag van de eindejaarstoelage is de som van het forfaitaire gedeelte en het veranderlijke gedeelte, met dien verstande dat de eindejaarstoelage nooit meer mag bedragen dan een twaalfde van het jaarsalaris, aangepast volgens de indexverhogingscoëfficiënt die van toepassing is op het salaris van de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar.
Het forfaitaire gedeelte en het veranderlijke gedeelte worden als volgt berekend:
1. het forfaitaire gedeelte:
a) het forfaitaire gedeelte bedraagt voor het jaar voor het jaar 2011 : 349,73 euro;
b) vanaf 2012 wordt het forfaitaire gedeelte dat toegekend is tijdens het vorige jaar, telkens vermeerderd met een breuk waarvan de noemer gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het vorige jaar en de teller gelijk is aan het gezondheidsindexcijfer van de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar. Het resultaat daarvan wordt berekend tot op twee decimalen nauwkeurig;
c) het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt b) wordt verhoogd met 698,74 euro;
d) voor het jaar 2012 wordt het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt c) voor alle personeelsleden verhoogd met 100,00 euro;
e) vanaf het jaar 2013 wordt het bedrag dat het resultaat is van de berekening, vermeld in punt c) voor alle personeelsleden verhoogd met 200,00 euro.
2. het veranderlijke gedeelte:
2,5 procent van het jaarsalaris, aangepast volgens de indexverhogingscoëfficiënt die van toepassing is op het salaris van de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar. Als het personeelslid in de maand oktober van het in aanmerking te nemen jaar geen of slechts een gedeeltelijk salaris ontvangen heeft, dan wordt het percentage berekend op basis van het salaris dat voor diezelfde maand betaald zou zijn als het personeelslid zijn functie wel volledig had uitgeoefend.
Artikel 7.2.3.1.4.
Het personeelslid ontvangt het volledige bedrag van de toelage, vermeld in artikel 7.2.3.1.3. als het als titularis van een betrekking met volledige prestaties het volledige salaris heeft ontvangen tijdens de hele duur van de referentieperiode.
Als het personeelslid niet het volledige salaris heeft ontvangen als titularis van een betrekking met volledige prestaties of onvolledige prestaties, wordt het bedrag van de toelage verminderd in verhouding tot het salaris dat het werkelijk heeft ontvangen.
De periodes waarin het personeelslid tijdens de referentieperiode als titularis van een betrekking met volledige prestaties of onvolledige prestaties met ouderschapsverlof was of met bevallingsverlof was met toepassing van de arbeidswet van 16 maart 1971 of omstandigheidsverlof genoot voor een gebeurtenis als vermeld in artikel 8.8.1.1.1. punt 2, worden gelijkgesteld met periodes waarvoor het personeelslid het salaris volledig heeft ontvangen.
Artikel 7.2.3.1.5.
De eindejaarstoelage wordt uiterlijk tijdens de maand december van het in aanmerking te nemen jaar in één keer uitbetaald.
Artikel 7.3.1.1.1.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
Artikel 7.3.1.1.2.
Naast de inhaalrust opgelegd door de arbeidstijdwetgeving krijgt het personeelslid:
Artikel 7.3.1.1.3.
De extra inhaalrust bij nachtprestaties is niet cumuleerbaar met de extra inhaalrust voor prestaties op zaterdagen, zondagen en feestdagen.
Artikel 7.3.1.1.4
De inhaalrust en de extra inhaalrust bij nachtprestaties, zaterdag-, zondag- en feestdagprestaties moeten opgenomen worden binnen de referentieperiode van vier maanden zoals vermeld in artikel 7.1.1.1.1. Deze inhaalrust wordt in principe verwerkt in het uurrooster. De leidinggevenden moeten er voor zorgen dat het personeelslid zijn inhaalrust en extra inhaalrust kan opnemen binnen de vier maanden.
Bij hoogste uitzondering en enkel wanneer het personeelslid kan aantonen dat het niet de toestemming gekregen heeft om de inhaalrust en extra inhaalrust op te nemen binnen de vier maanden zoals vermeld in artikel 7.1.1.1.1., worden de inhaalrust en extra inhaalrust door de leidinggevende overgedragen naar de volgende referentieperiode of worden ze uitbetaald als overuren conform de bepalingen van afdeling 7.3.2..
Artikel 7.3.1.1.5.
In afwijking van artikel 7.3.1.1.2. wordt voor de jobstudenten de uren inhaalrust en extra inhaalrust uitbetaald ten bedrage van het uurloon.
Artikel 7.3.2.1.1.
Deze afdeling is niet van toepassing op:
Artikel 7.3.2.1.2.
Onder overuren worden verstaan de uitzonderlijke prestaties die op verzoek van het diensthoofd of een lid van het managementteam geleverd worden boven op de uren die op grond van de gewone arbeidstijdregeling op weekbasis door het personeelslid gepresteerd worden, waardoor de gemiddelde arbeidstijd groter is dan 38 uur per week voor voltijdse prestaties of dan de gewone arbeidstijdregeling op weekbasis bij deeltijdse prestaties.
Artikel 7.3.2.1.3.
In toepassing van artikel 8, arbeidstijdwet van 14 december 2000 neemt het personeelslid compenserende inhaalrust op binnen de referentieperiode van vier maanden zoals vermeld in artikel 7.1.1.1.1. De compenserende inhaalrust is gelijk aan de duur van de overuren.
Artikel 7.3.2.1.4.
Als het personeelslid door omstandigheden buiten zijn wil geen inhaalrust kan opnemen binnen de referentieperiode van vier maanden zoals vermeld in artikel 7.1.1.1.1. worden de niet opgenomen uren uitbetaald. Bovendien krijgt hij een toeslag van 25 % per uur voor overuren die op weekdagen tussen 6 en 22 uur worden gepresteerd.
Artikel 7.3.2.1.5.
In afwijking van het vorige artikel krijgt het personeelslid van het A-niveau dat door omstandigheden buiten zijn wil geen inhaalrust kan opnemen binnen de referentieperiode van vier maanden zoals vermeld in artikel 7.1.1.1.1. voor elk overuur een uurloon uitbetaald.
Artikel 7.3.2.1.6.
Als berekeningsbasis voor het uurloon geldt het bruto-uurloon, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatsvergoeding, de toelage voor het waarnemen van een hogere functie of de gegarandeerde salarisverhoging na bevordering.
Artikel 7.4.1.1.1.
De algemeen directeur en de financieel directeur komen niet in aanmerking voor een permanentietoelage.
Artikel 7.4.1.1.2.
Het personeelslid dat door de algemeen directeur of het diensthoofd wordt aangewezen om zich buiten de normale diensturen thuis beschikbaar te houden voor interventies ontvangt een permanentietoelage.
Artikel 7.4.1.1.3.
Het bedrag van de permanentietoelage bedraagt 2,01 euro tegen 100 % voor elk uur dat werkelijk aan de permanentie wordt besteed. Dat bedrag is gekoppeld aan de gezondheidsindex.
Artikel 7.4.2.1.1.
Het personeelslid dat onvoorzien buiten zijn arbeidstijdregeling of permanentieplicht opgeroepen wordt voor een dringend werk ontvangt, per oproep, een verstoringtoelage. De verstoringtoelage bedraagt twee keer het uurloon.
Artikel 7.4.2.1.2.
De verstoringtoelage kan niet gecumuleerd worden met de toeslag voor overuren, vermeld in artikel 7.3.2.1.4.
Artikel 7.4.3.1.1.
Voor de toekenning van de toelage met toepassing van deel 3, moet de waarneming van de hogere functie ten minste dertig opeenvolgende kalenderdagen beslaan.
Artikel 7.4.3.1.2.
De toelage is gelijk aan het verschil tussen het salaris dat het vast aangesteld statutair personeelslid bij een bevordering in de waargenomen hogere functie zou ontvangen en het salaris dat het personeelslid in zijn werkelijke functie ontvangt.
Artikel 7.4.3.1.3.
In het salaris vermeld in artikel 7.4.3.1.2. zijn inbegrepen:
Artikel 7.5.1.1.1.
Een dienstreis is de verplaatsing van de woonplaats of de standplaats naar een vooraf bepaalde bestemming en terug, in opdracht of op uitnodiging van de bevoegde hiërarchische meerdere van het personeelslid.
Artikel 7.5.1.1.2.
Het diensthoofd of het lid van het managementteam geeft toestemming voor dienstreizen.
Hij beslist welk vervoermiddel functioneel en financieel het meest verantwoord is.
Artikel 7.5.1.1.3.
De kilometervergoeding zal per kwartaal en minstens eenmaal per jaar uitbetaald worden mits het voorleggen van een verklaring op erewoord gestaafd door een omstandige nota van het aantal kilometers voor de dienst afgelegd. De betrokkene is verplicht zijn verzekeringsmaatschappij in te lichten omtrent het gebruik van zijn persoonlijk voertuig ten behoeve van zijn werkgever.
Artikel 7.5.2.1.1.
Het personeelslid dat voor dienstreizen van zijn eigen motorvoertuig gebruikmaakt, heeft recht op een vergoeding voor reiskosten.
Artikel 7.5.2.1.2.
De vergoeding voor reiskosten gebeurt overeenkomstig het rechtspositiebesluit gemeente- en provinciepersoneel. De verhoogde vergoeding voor carpooling wordt niet toegekend.
Artikel 7.5.2.1.3.
Voor dienstreizen met het openbaar vervoer of per vliegtuig worden de reële kosten vergoed die het personeelslid bewijst.
Artikel 7.6.1.1.1.
Het personeelslid, met uitzondering van de jobstudent, heeft recht op maaltijdcheques. De waarde van een maaltijdcheque bedraagt met ingang van 1 januari 2021 voor een voltijds personeelslid 6,5 euro per gewerkte dag. De werkgeversbijdrage bedraagt 5,41 euro.
Aan alle personeelsleden van het OCMW van Oostrozebeke worden maaltijdcheques toegekend voor de dagen waarop effectief arbeidsprestaties geleverd worden.
Artikel 7.6.1.1.2.
Het aantal toe te kennen maaltijdcheques wordt als volgt bepaald: het totaal van het aantal effectief gepresteerde uren van de werknemer tijdens het kwartaal wordt gedeeld door het normaal aantal arbeidsuren per dag. Indien de bewerking een decimaal getal oplevert, wordt het afgerond op de hogere eenheid.
Indien het op die wijze verkregen aantal maaltijdcheques groter is dan het maximum aantal werkbare dagen in het kwartaal van een voltijds tewerkgesteld personeelslid, wordt het beperkt tot dit laatste aantal.
Artikel 7.6.1.1.3.
De personeelsleden hebben recht op een maaltijdcheque voor compensatiedagen en dagen met vergoede dienstvrijstelling. Er is geen recht op een maaltijdcheque voor verlofdagen, ziektedagen, dagen omstandigheidsverlof en dagen dienstvrijstelling voor afwezigheid ingevolge het coronavirus.
Artikel 7.6.1.1.4.
De maaltijdcheques worden maandelijks en op naam van het personeelslid afgeleverd. Ze zijn één jaar geldig en kunnen enkel gebruikt worden voor de betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding.
Artikel 7.6.2.1.1.
Het bestuur sluit een collectieve hospitalisatieverzekering af voor:
De verzekeringspremie voor de personeelsleden wordt volledig ten laste genomen.
Het personeelslid ontvangt tijdig de nodige informatie in verband met de toepassingsvoorwaarden van de hospitalisatieverzekering.
Artikel 7.6.2.1.2.
De hospitalisatieverzekering wordt ook aangeboden aan de volgende categorieën:
De premie voor die categorieën wordt niet ten laste genomen door het bestuur.
Artikel 7.6.3.1.1.
Bij gebruik van de trein voor de verplaatsing van en naar het werk wordt het treinabonnement volledig ten laste genomen van het gemeentebestuur.
Als het personeelslid in eerste klasse reist, betaalt het zelf de supplementaire kosten daarvoor.
Artikel 7.6.3.1.2.
Bij gebruik van de bus, de tram of de metro voor de verplaatsingen van en naar het werk worden de kosten hiervoor volledig ten laste genomen van het gemeentebestuur.
Artikel 7.6.3.1.3.
Het personeelslid dat aan de voorwaarden voldoet voor de toekenning van een parkeerkaart door de bevoegde hogere overheid, ontvangt een vergoeding voor de verplaatsing van en naar het werk met de wagen. Die vergoeding is gelijk aan de kostprijs van een treinkaart tweede klasse over dezelfde afstand.
Artikel 7.6.3.1.4.
Aan de personeelsleden die het woon-werkverkeer per fiets doen, met uitzondering van de jobstudenten, wordt met ingang van 1 januari 2020 het maximum bedrag per afgelegde kilometer voor de verplaatsing woonst-werkplaats heen en terug toegekend. Onder verplaatsing woonst-werkplaats wordt begrepen de reëel afgelegde weg tussen de woonst en werkplaats, de afstand die in aanmerking wordt genomen is de meest logische weg tussen de woonst en de werkplaats. De afronding gebeurt maandelijks op het totale aantal kilometers, heen en terug samen. Afstanden van 500 meter en meer worden afgerond naar boven, afstanden van minder dan 500 meter worden afgerond naar beneden. De wijze van verplaatsingen naar het werk wordt dagelijks bijgehouden via het tijdsregistratiesysteem. Bij fraude door de aanvrager verliest deze voor 1 jaar, en bij herhaling permanent, het recht op de vergoeding. De uitbetaling van de vergoeding gebeurt per maand, het bedrag van de toegekende vergoeding wordt overgeschreven op het financieel rekeningnummer van het personeelslid waarop zijn salaris wordt gestort.
Artikel 7.6.4.1.1.
Als een personeelslid overlijdt, wordt aan de persoon of personen, vermeld in artikel 7.6.4.1.2, een begrafenisvergoeding toegekend die overeenstemt met het geïndexeerde maandsalaris van het personeelslid, eventueel verhoogd met de haard- en standplaatstoelage of met om het even welke andere salaristoeslag. Het geïndexeerde maandsalaris wordt omgezet in een maandsalaris voor voltijdse prestaties als het overleden personeelslid deeltijds werkte.
De begrafenisvergoeding mag niet meer bedragen dan een twaalfde van het bedrag, vastgesteld met toepassing van artikel 39, eerste, derde en vierde lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971.
De vergoeding wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag van een vergoeding die krachtens andere wettelijke of reglementaire bepalingen wordt toegekend.
Artikel 7.6.4.1.2.
De begrafenisvergoeding wordt betaald aan de persoon of de personen die kosten voor de begrafenis hebben gedragen.
Artikel 7.6.5.1.1.
Het personeelslid krijgt ieder jaar een nieuwjaarsgeschenk met een waarde van 10 euro.
Artikel 7.6.5.1.2.
Het nieuwjaarsgeschenk wordt gegeven in de vorm van een geschenkencheque.
Artikel 7.6.5.1.3.
Alle personeelsleden in dienst op 31 december krijgen deze geschenkencheque overhandigd.
Artikel 7.7.1.1.1.
De conciërge geniet voor zijn verplichtingen als conciërge kosteloze huisvesting in een woning die aan de hedendaagse comfortnormen voldoet met gratis verwarming en verlichting als voordelen in natura.
Artikel 7.7.1.1.2.
Indien geen woning ter beschikking kan worden gesteld of de conciërge kiest om in zijn eigen woning te blijven wonen, ontvangt de conciërge een toelage van 450 euro per maand tegen 100 % gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01. Die toelage wordt maandelijks na vervallen termijn uitbetaald.
Artikel 7.8.1.1.1.
Voor het persoonlijk gebruik van de kosteloos door het bestuur ter beschikking gestelde mobiele telefoon en/of internetaansluiting en/of mobiel telefoonabonnement wordt in hoofde van het personeelslid een voordeel alle aard verrekend.
Conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 november 2017 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard voor het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gestelde PC, tablet, internetaansluiting, mobiele telefoon of vast of mobiel telefoonabonnement, is het bedrag van dit voordeel momenteel vastgesteld op:
Artikel 7.8.1.1.2.
De algemeen directeur beslist welke personeelsleden hiervoor in aanmerking komen op advies van het diensthoofd. Nadere regels en afspraken ter zake worden in het arbeidsreglement gespecifieerd.
Artikel 8.1.1.1.1.
Het statutaire personeelslid bevindt zich geheel of gedeeltelijk in een van de volgende administratieve toestanden:
Artikel 8.1.1.1.2.
Het statutaire personeelslid is in dienstactiviteit:
Het personeelslid mag om uitleg verzocht worden over de aard en de omstandigheden van de overmacht. Het personeelslid mag de overmacht aantonen met alle gebruikelijke rechtsmiddelen zoals documenten, attesten en eventueel getuigenverklaringen.
Artikel 8.1.1.1.3.
Het statutaire personeelslid is in non-activiteit:
Artikel 8.1.1.1.4.
Het statutaire personeelslid kan niet in disponibiliteit wegens ambtsopheffing worden gesteld, of gehouden, na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.
Artikel 8.1.1.1.5.
Alle verloven worden toegekend door, of onder de verantwoordelijkheid van, de algemeen directeur, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald in deze rechtspositieregeling.
Artikel 8.2.1.1.1.
Het personeelslid minder dan 10 jaar in dienst bij het gemeentebestuur heeft recht op 30 werkdagen betaalde vakantie voor een volledig dienstjaar.
Artikel 8.2.1.1.2.
Het referentiejaar voor de berekening van de 30 werkdagen betaalde vakantie is voor
Artikel 8.2.1.1.3.
Een bijkomende werkdag betaalde vakantie wordt toegekend bij het bereiken van
Het aantal jaren in dienst bij het bestuur die het personeelslid heeft in de loop van het jaar waarin het verlof wordt genomen, wordt voor deze berekening in aanmerking genomen.
De jaren voltijdse loopbaanonderbreking en doorlopende ziekteverloven meer dan één jaar worden niet meegerekend.
Artikel 8.2.1.1.4.
Het totaal maximum te bekomen aantal dagen verlof is bepaald op 35 dagen.
Artikel 8.2.1.1.5.
De vakantiedagen bestaan uit 20 wettelijke vakantiedagen en de overige vakantiedagen zijn bijkomende vakantiedagen.
Artikel 8.2.1.1.6.
Bij het opnemen van de vakantiedagen worden eerst de wettelijke vakantiedagen opgenomen en daarna de bijkomende vakantiedagen.
Het aantal bijkomende vakantiedagen dat niet opgenomen werd, wordt niet uitbetaald.
Overdracht van vakantiedagen van jaar x naar jaar x+1 kan enkel onder de voorwaarden bepaald in het arbeidsreglement en/of op besluit van de algemeen directeur.
Artikel 8.2.1.1.7.
De diensten geleverd bij het OCMW Oostrozebeke worden beschouwd als in dienst bij het gemeentebestuur.
Artikel 8.2.1.1.8.
De vakantiedagen kunnen in principe worden genomen naar keuze van het personeelslid. De vakantiedagen moeten vooraf worden aangevraagd zoals vastgesteld in bijlage bij het arbeidsreglement. Als de aangevraagde dagen of periodes niet verzoenbaar zijn met de behoeften van de dienst, dan wordt dit zo vlug mogelijk meegedeeld aan het personeelslid.
De aanvraag wordt ingediend bij de hiërarchische meerdere die door de algemeen directeur wordt aangeduid.
Artikel 8.2.1.1.9.
In afwijking van artikel 8.2.1.1.8. kan het personeelslid elk jaar maximum vier vakantiedagen opnemen zonder dat het dienstbelang kan worden ingeroepen om het verlof te weigeren.
Artikel 8.2.1.1.10.
Elke periode met recht op salaris geeft recht op jaarlijkse vakantiedagen.
Bij afwezigheden zonder recht op salaris of afwezigheden wegens deeltijdse prestaties wordt het recht op betaalde vakantie zoals bepaald in artikel 8.2.1.1.1. en artikel 8.2.1.1.3 verhoudingsgewijze verminderd. De niet gelijkgestelde afwezigheden zonder recht op salaris, die toegekend zijn in de vorm van werkdagen, worden vermenigvuldigd met 1,4 alvorens ze te verminderen.
Artikel 8.2.1.1.11.
Als deze berekening leidt tot een niet geheel getal wordt het aantal vakantiedagen waarop het personeelslid recht heeft afgerond naar boven, tot het eerstvolgende gehele getal.
Het verlof wordt in uren uitgedrukt, die zo nodig afgerond worden naar de kleinst hogere verlofeenheid die kan worden genoten
Als een personeelslid in de loop van eenzelfde jaar meerdere periodes van niet-gelijkgestelde afwezigheden zonder recht op salaris bekomt of één of meerdere wijzigingen van het aantal uren wekelijkse prestaties, dan wordt bij de berekening van het aantal vakantiedagen telkens rekening gehouden met de bedoelde afwezigheden of de deeltijdse prestaties alsof ze een geheel vormden.
Artikel 8.2.1.1.12.
Periodes met recht op een uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering worden gelijkgesteld met periodes met recht op salaris met een beperking tot 12 maanden.
Het aantal vakantiedagen wordt in dat geval niet verminderd.
Artikel 8.2.1.1.13.
Als een statutair personeelslid in de loop van het jaar in dienst treedt of zijn functie definitief neerlegt, worden zijn vakantiedagen in evenredige mate verminderd.
Artikel 8.2.1.1.14.
Periodes van disponibiliteit wegens ziekte worden gelijkgesteld met periodes met recht op salaris.
Artikel 8.2.1.1.15.
Periodes van disponibiliteit wegens ambtsopheffing worden in het jaar van de weder indiensttreding gelijkgesteld met periodes met recht op salaris. Het aantal vakantiedagen wordt niet verminderd.
Artikel 8.2.1.1.16.
Als een statutair personeelslid ziek wordt voor de aanvang van een vakantiedag of een periode van vakantiedagen, dan wordt de vakantie opgeschort en worden de ziektedagen aangerekend op het beschikbare ziektekrediet.
Artikel 8.2.1.1.17.
Als een statutair personeelslid tijdens zijn vakantie in het ziekenhuis opgenomen wordt, dan wordt de vakantie opgeschort vanaf de eerste dag van de ziekenhuisopname.
Artikel 8.3.1.1.1.
Het personeelslid heeft betaalde vakantie op de volgende feestdagen:
Artikel 8.3.1.1.2.
Een personeelslid dat moet werken op een feestdag, kan de op de feestdag gepresteerde uren op een andere dag opnemen.
Artikel 8.3.1.1.3.
Wanneer een feestdag samenvalt met een zaterdag of een zondag, wordt een dag compensatieverlof verleend, die onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof kan worden genomen. Deze dag wordt berekend conform de bepalingen betreffende het jaarlijks vakantieverlof en verhoudingsgewijze verminderd voor deeltijdse personeelsleden.
Artikel 8.3.1.1.4.
De algemeen directeur kan echter die compensatiedagen vastleggen na voorafgaandelijk overleg met de representatieve vakorganisaties.
Artikel 8.4.1.1.1.
Het bevallingsverlof wordt toegekend aan het personeelslid volgens de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971.
Artikel 8.4.1.1.2.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid behoudt het recht op salaris tijdens het bevallingsverlof, op voorwaarde dat de betrokkene alle beroepswerkzaamheid staakt.
Artikel 8.4.1.1.3.
Voor contractuele personeelsleden en statutaire personeelsleden op proef gelden eveneens de bepalingen van titel V van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994 en titel III, hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 3 juli 1978 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994).
(zie ook: koninklijk besluit van 17 oktober 1994 betreffende de omzetting van het moederschapsverlof in vaderschapsverlof bij overlijden of hospitalisatie van de moeder).
Artikel 8.4.1.1.4.
Bij verlenging van de postnatale rustperiode in overeenstemming met artikel 39, zesde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, wordt het vast aangestelde statutaire personeelslid tijdens de duur van die verlenging doorbetaald.
Artikel 8.4.1.1.5.
Als de moeder overlijdt, heeft het statutaire personeelslid dat meeouder is van het kind, recht op geboorteverlof, dat niet langer mag duren dan het deel van het bevallingsverlof dat nog niet opgenomen werd door de moeder bij haar overlijden.
Artikel 8.4.1.1.6.
Bij opname van de moeder in een ziekenhuis heeft het statutaire personeelslid dat meeouder is van het kind, recht op geboorteverlof, dat op zijn vroegst een aanvang neemt vanaf de achtste dag, te rekenen na de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de moeder meer dan zeven dagen opgenomen is in het ziekenhuis en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Het geboorteverlof eindigt als de moeder het ziekenhuis verlaat en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met het deel van het bevallingsverlof dat door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
Het geboorteverlof, vermeld in dit artikel, is bezoldigd.
Artikel 8.4.2.1.1.
Het statutaire personeelslid krijgt op zijn verzoek opvangverlof als een minderjarig kind in zijn gezin wordt opgenomen met het oog op adoptie of pleegvoogdij.
Artikel 8.4.2.1.2.
Het opvangverlof bedraagt zes weken per personeelslid. Dat verlof verhoogt met twee weken voor een adoptieouder of pleegvoogd en, voor beide adoptieouders of pleegvoogden samen:
1. met drie weken vanaf 1 januari 2023;
2. met vier weken vanaf 1 januari 2025;
3. met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
Deze bijkomende weken worden onderling verdeeld als beide ouders het kind adopteren of pleegvoogd worden.
De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld als het opgenomen kind aan één van de volgende voorwaarden voldoet:
1. het heeft een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %;
2. het heeft een aandoening die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving over de kinderbijslag;
3. het heeft een aandoening die tot gevolg heeft dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving over de kinderbijslag.
De maximumduur van het opvangverlof wordt per personeelslid met twee weken verlengd bij de gelijktijdige adoptie of pleegvoogdij van meerdere minderjarige kinderen.
Artikel 8.4.2.1.3.
Als maar één van de samenwonende partners het kind adopteert of de pleegvoogdij uitoefent, heeft alleen die persoon recht op het verlof.
Artikel 8.4.2.1.4.
Tijdens het opvangverlof behoudt het statutaire personeelslid het recht op zijn gebruikelijke salaris.
Artikel 8.4.2.1.5.
Het verlof begint binnen twee maanden nadat het kind is ingeschreven als deel uitmakend van het gezin.
In het kader van een interlandelijke adoptie kan het opvangverlof ook de periode bestrijken die voorafgaat aan de daadwerkelijke opvang van het geadopteerde kind in België, als die voorafgaande periode niet meer bedraagt dan vier weken en als ze wordt besteed aan de voorbereiding van de daadwerkelijke opvang van het kind.
Artikel 8.4.2.1.6.
Het opvangverlof moet opgenomen worden in een aaneengesloten periode van één week of een veelvoud ervan.
Artikel 8.4.2.1.7.
Het recht op adoptieverlof voor het contractueel personeel wordt toegekend volgens de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Artikel 8.4.3.1.1.
Het statutaire personeelslid heeft per kalenderjaar recht op zes dagen pleegzorgverlof. Het pleegzorgverlof wordt aan het statutaire personeelslid toegekend conform artikel 30 quater, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, en artikel 2 tot en met 6 van het koninklijk besluit van 27 oktober 2008 betreffende de afwezigheid van het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen.
Het statutaire personeelslid heeft recht op 82 % van het brutosalaris.
Artikel 8.4.3.1.2.
Onder langdurige pleegzorg wordt verstaan: de pleegzorg waarvan bij het begin duidelijk is dat het pleegkind voor minstens zes maanden in hetzelfde pleeggezin zal verblijven.
In geval van langdurige pleegzorg heeft het statutaire personeelslid dat pleegzorger is, als vermeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg, een éénmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximaal zes weken voor de zorg van het pleegkind.
Het pleegouderverlof van zes weken van het statutaire personeelslid verhoogt met twee weken voor een pleegouder en, voor beide pleegouders samen:
1. met drie weken vanaf 1 januari 2023;
2. met vier weken vanaf 1 januari 2025;
3. met vijf weken vanaf 1 januari 2027.
Deze bijkomende weken worden onderling verdeeld als het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beide zijn aangesteld als pleegouder van het kind.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld als het opgenomen kind voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
1. het kind heeft een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %;
2. het kind heeft een aandoening die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving over de kinderbijslag;
3. het kind heeft een aandoening die tot gevolg heeft dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving over de kinderbijslag.
De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd bij het gelijktijdige onthaal van meerdere minderjarige kinderen naar aanleiding van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg.
Artikel 8.4.3.1.3.
Het verlof begint binnen twaalf maanden nadat het kind is ingeschreven als deel uitmakend van het gezin.
Tijdens de eerste drie dagen van het pleegouderverlof heeft het personeelslid recht op een doorbetaling van het salaris. Vanaf de vierde dag heeft een statutair personeelslid recht op 82 % van het brutosalaris.
Artikel 8.4.3.1.4.
Aan het contractueel personeelslid wordt pleegzorg- en pleegouderverlof toegekend overeenkomstig de bepalingen van het artikel 30 quater (pleegzorg) en het artikel 30 sexies (pleegouder) van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en het koninklijk besluit van 27 oktober 2008 betreffende de afwezigheid van het werk met het oog op het verstrekken van pleegzorgen.
Artikel 8.5.1.1.1.
Het personeelslid dat afwezig is wegens ziekte of wegens een ongeval krijgt ziekteverlof.
In overeenstemming met artikel 31 van de arbeidsovereenkomstenwet wordt de arbeidsovereenkomst van het contractuele personeelslid geschorst.
Artikel 8.5.1.1.2.
Het personeelslid met ziekteverlof staat onder het toezicht van het geneeskundig controleorgaan dat wordt aangeduid door de werkgever.
De modaliteiten bij ziekteverlof zijn vastgelegd in het arbeidsreglement en de bijlagen.
Artikel 8.5.1.1.3.
Het statutaire personeelslid dat geen recht heeft op uitkeringen in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, heeft recht op ziekteverlof volgens een stelsel van ziektekredietdagen. Voor opgenomen ziektekredietdagen wordt het gewone salaris betaald.
De ziektekredietdagen worden toegekend in de vorm van een krediet van eenentwintig werkdagen per jaar volledige dienstactiviteit.
Artikel 8.5.1.1.4.
Bij aanvang, en na de eventuele periode van recht op ziekte-uitkering in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, wordt aan een statutair personeelslid onmiddellijk een krediet van drieënzestig dagen toegestaan. Aanvullende ziektekredietdagen worden nadien toegestaan voor het vierde en de daaropvolgende jaren die recht geven op ziektekrediet.
Artikel 8.5.1.1.5.
Periodes van disponibiliteit wegens ambtsopheffing komen niet in aanmerking voor de vaststelling van het jaarlijkse aantal ziektekredietdagen.
Periodes van disponibiliteit wegens ziekte komen in aanmerking voor de vaststelling van het jaarlijkse aantal ziektekredietdagen.
Volgende afwezigheden tellen niet mee voor de opbouw van ziektekredietdagen:
Artikel 8.5.1.1.6.
Bij de bepaling van het jaarlijkse ziektekrediet wordt verhoudingsgewijze rekening gehouden met de periodes van non-activiteit en van disponibiliteit die geen recht geven op ziektekrediet.
Als deze berekening leidt tot een niet-geheel getal, wordt het aantal ziektedagen afgerond naar boven, tot het eerstvolgende gehele getal.
Artikel 8.5.1.1.7.
Ziektekredietdagen, opgebouwd bij een of meerdere vorige publieke werkgevers worden eveneens in rekening gebracht. De berekening gebeurt op dezelfde wijze als voor de periodes in dienst van het bestuur, en met aftrek van de bij de publieke werkgevers opgenomen ziektedagen.
Artikel 8.5.1.1.8.
Voor een personeelslid met een onregelmatige of deeltijdse werktijdregeling wordt de afwezigheid wegens ziekte in uren en minuten berekend volgens hun uurrooster. Voor de personeelsleden met een jaarprestatie wordt de eerste week afwezigheid wegens ziekte in uren en minuten berekend volgens hun uurrooster. Na de eerste week wordt hun afwezigheid per dag wegens ziekte in uren en minuten berekend volgens hun jaarprestatie / 52 / 5.
Artikel 8.5.1.1.9.
Het statutair personeelslid zal tijdens een periode van ziekte recht hebben op loon voor de feestdagen en/of vervangingsdagen die vallen binnen de 30 dagen na de aanvang van de ziekte. De feestdagen en/of vervangingsdagen die vallen buiten deze periode van 30 dagen volgend op de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, worden daarentegen wel aangerekend op het nog beschikbare ziektekrediet.
Artikel 8.5.1.1.10.
Zodra de aanstellende overheid heeft vastgesteld dat een statutair personeelslid zijn ziektekrediet heeft opgebruikt, en als het betrokken personeelslid nog altijd ziek is, kan het bestuur het personeelslid doorverwijzen naar de federale medische dienst die bevoegd is voor de eventuele verklaring tot definitieve ongeschiktheid, met het oog op een eventuele vervroegde pensionering om gezondheidsredenen.
Artikel 8.5.1.1.11.
Het statutaire personeelslid dat tijdens een opdracht bij een buitenlandse regering, een buitenlands openbaar bestuur of een internationale instelling op pensioen werd gesteld wegens invaliditeit en een pensioenuitkering van die overheid of die instelling ontvangt, kan voor het ziektekrediet, vermeld in artikel 8.5.1.1.3. tot en met artikel 8.5.1.1.6. is opgebruikt, definitief ongeschikt worden verklaard.
Artikel 8.5.1.1.12.
Een statutair personeelslid dat na een afwezigheid wegens ziekte of ongeval van gemeen recht geschikt wordt geacht om zijn functie weer op te nemen met deeltijdse prestaties, kan toestemming krijgen zijn functie opnieuw op te nemen met een deeltijds uurrooster van ten minste de helft van het normale uurrooster van het betrokken personeelslid. De toestemming wordt verleend voor een periode van ten hoogste drie maanden.
Artikel 8.5.1.1.13.
Onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze als bij het toestaan van de eerste periode van deeltijdse prestaties wegens ziekte kan de periode van deeltijdse prestaties wegens ziekte meermaals worden verlengd met een periode van telkens ten hoogste drie maanden.
Artikel 8.5.1.1.14.
De afwezigheid van het statutaire personeelslid tijdens een periode van deeltijdse prestaties wegens ziekte wordt beschouwd als ziekteverlof. De afwezigheid wordt dan pro rata aangerekend op het aantal nog beschikbare ziektekredietdagen vanaf de vierde maand progressieve tewerkstelling.
Artikel 8.5.1.1.15.
Verlof wegens arbeidsongeschiktheid wordt toegestaan voor de duur van de afwezigheid naar aanleiding van:
1. een arbeidsongeval;
2. een ongeval op de weg naar en van het werk;
3. een ongeval van gemeen recht, veroorzaakt door de schuld van een derde;
4. een beroepsziekte;
5. de vrijstelling van arbeid van het zwangere personeelslid of het personeelslid dat borstvoeding geeft en dat werkt in een schadelijk arbeidsmilieu, nadat vastgesteld werd dat geen aangepaste of andere arbeidsplaats mogelijk is;
6. de dagen afwezigheid wegens ziekte die zich voordoen binnen zes weken voor de werkelijke bevallingsdatum. Bij de geboorte van een meerling wordt die periode verlengd tot acht weken.
Die dagen afwezigheid, ook na consolidering van het arbeidsongeval, worden niet aangerekend op het beschikbare ziektekrediet, vermeld in artikel 8.5.1.1.3. tot en met artikel 8.5.1.1.6., behalve voor de toepassing van artikel 8.5.1.1.9. voor wat de afwezigheden, vermeld in punt 1 tot en met 4 betreft.
In de gevallen waarin de afwezigheid door de oorzaken, vermeld in punt 1 tot en met 4, te wijten is aan een verantwoordelijke derde partij, ontvangt het statutaire personeelslid het salaris alleen als voorschot, dat nadien verrekend wordt op de door de derde verschuldigde vergoeding en dat op de derde te verhalen is.
Artikel 8.5.1.1.16.
Om het salaris als voorschot te kunnen verkrijgen, moet het personeelslid zijn bestuur in alle rechten, vorderingen en rechtsmiddelen laten treden die de getroffene kan doen gelden tegen de persoon die verantwoordelijk is voor het ongeval, tot het bedrag van het salaris.
Artikel 8.6.1.1.1.
De aanstellende overheid van het betrokken statutaire personeelslid neemt het besluit om het statutaire personeelslid in disponibiliteit te stellen.
Artikel 8.6.1.1.2.
Een wachtgeld wordt toegekend aan de personeelsleden die in disponibiliteit worden gesteld.
Het wachtgeld wordt berekend op de bezoldigingsonderdelen die ook voor de vaststelling van de pensioenen in aanmerking komen.
Artikel 8.6.1.1.3.
De tijd die een statutair personeelslid doorbrengt in de stand disponibiliteit moet worden aangerekend als werkelijke dienst.
Elk statutair personeelslid dat in disponibiliteit werd gesteld, moet aan het uitvoerend orgaan een adres bekendmaken in één van de lidstaten van de Europese Unie, waar hem de besluiten die op hem betrekking hebben, kunnen worden bezorgd.
Artikel 8.6.2.1.1.
Een statutair personeelslid dat geen recht heeft op uitkeringen in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, kan bij afwezigheid wegens ziekte of invaliditeit in disponibiliteit worden gesteld op het ogenblik dat het personeelslid het totale aantal beschikbare ziektekredietdagen, toegekend volgens de bepalingen van deze rechtspositieregeling, heeft opgebruikt.
Artikel 8.6.2.1.2.
De disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit houdt op telkens als de toestand van ziekte of invaliditeit ophoudt te bestaan, of als het betrokken statutaire personeelslid, al dan niet vervroegd, op pensioen wordt gesteld.
Artikel 8.6.2.1.3.
Voor de vaststelling en rechtvaardiging van de toestand van ziekte of invaliditeit gelden dezelfde regels als voor een ziek of invalide statutair personeelslid dat zijn beschikbare ziektekrediet nog niet volledig heeft opgebruikt.
Artikel 8.6.2.1.4.
Het statutaire personeelslid dat in disponibiliteit is gesteld wegens ziekte of invaliditeit, behoudt zijn aanspraken op verhoging in salaris.
Artikel 8.6.2.1.5.
Het statutaire personeelslid dat in disponibiliteit is gesteld wegens ziekte of invaliditeit, ontvangt een wachtgeld, gelijk aan 60 % van het laatste activiteitssalaris en de fictieve ontwikkeling daarvan, berekend volgens de regels die van toepassing zouden zijn geweest als het personeelslid nog in effectieve actieve dienst was gebleven.
Artikel 8.6.2.1.6.
Het bedrag van dat wachtgeld mag echter in geen geval minder bedragen dan:
Artikel 8.6.3.1.1.
De vast aangestelde statutaire personeelsleden die in disponibiliteit wegens ambtsopheffing zijn gesteld, behouden hun aanspraken op verhoging in salaris. Zij genieten een wachtgeld, gebaseerd op het laatste activiteitssalaris en de fictieve ontwikkeling daarvan, berekend volgens de regels die van toepassing zouden zijn geweest als zij nog in effectieve actieve dienst waren gebleven.
Artikel 8.6.3.1.2.
Het eerste en het tweede jaar is het wachtgeld gelijk aan het laatste activiteitssalaris en de ontwikkeling ervan, vermeld in artikel 8.6.3.1.1. Elk jaar dat daarop volgt, wordt het met 20 % verminderd. Het wachtgeld mag echter, binnen de grens van 40 / 40, niet lager zijn dan zoveel maal 1 / 40 van het laatste activiteitssalaris als het statutaire personeelslid, op de datum van de indisponibiliteitsstelling wegens ambtsopheffing, jaren werkelijke dienst in de openbare sector heeft.
Artikel 8.6.3.1.3.
Als tijdens de disponibiliteit wegens ambtsopheffing de organieke salarissen van het personeel worden gewijzigd, dan wordt het wachtgeld aangepast aan het nieuwe fictieve laatste activiteitssalaris, dat zal worden berekend rekening houdend met de omschakelingsprincipes van de herziening van de salarisschalen en uitgaande van het vroegere laatste activiteitssalaris dat als basis heeft gediend om het vroegere wachtgeld te berekenen.
Artikel 8.6.3.1.4.
In geen geval mag de disponibiliteit wegens ambtsopheffing in het totaal, en al dan niet met onderbroken periodes, de duur van de werkelijke overheidsdiensten van het statutaire personeelslid overtreffen, met inbegrip van de tijdelijke en contractuele diensten in de publieke sector, maar met uitsluiting van de militaire diensten die voor de vermelde overheidsdiensten werden volbracht.
Artikel 8.6.3.1.5.
Het statutaire personeelslid kan door het bestuur niet meer dan tweemaal in disponibiliteit wegens ambtsopheffing worden gesteld.
Artikel 8.6.3.1.6.
De statutaire personeelsleden in disponibiliteit wegens ambtsopheffing kunnen opnieuw in actieve dienst worden geroepen. Voor de vacante betrekkingen bij het gemeentebestuur, genieten zij de voorkeur, als zij beantwoorden aan de reglementaire voorwaarden om die betrekkingen te verkrijgen. Bij keuzemogelijkheid uit meerdere in disponibiliteit wegens ambtsopheffing gestelde statutaire personeelsleden moet met het aantal dienstjaren en met de voor de vacante betrekking vereiste bijzondere geschiktheden rekening worden gehouden.
Artikel 8.6.3.1.7.
Als een statutair personeelslid in disponibiliteit wegens ambtsopheffing weer in actieve dienst geroepen wordt, dan moet dat zo spoedig mogelijk gebeuren. Het statutaire personeelslid kan echter het gemeentebestuur om een wachttermijn van een maand verzoeken, die ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de maand van ontvangst van de individuele betekening van het besluit van het bestuur om een einde te stellen aan de disponibiliteit wegens ambtsopheffing door toewijzing van een nieuwe statutaire betrekking.
Artikel 8.6.3.1.8.
Als het statutaire personeelslid tijdens zijn indisponibiliteitsstelling een andere beroepsactiviteit heeft gevonden, dan heeft hij recht op een uitstel van maximaal drie maanden, als hij opnieuw in actieve dienst wordt geroepen.
Artikel 8.7.1.1.1.
Het vast aangestelde statutaire personeelslid kan verlof krijgen om:
1. een functie uit te oefenen op een kabinet, of in voorkomend geval bij de entiteiten met politieke functie ter vervanging van het kabinet, van een federale minister, staatssecretaris of regeringscommissaris, een lid van de regering van een gemeenschap of een gewest, een provinciegouverneur, de gouverneur of de vice-gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, of de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant, een gedeputeerde, een burgemeester of schepen, een Europees commissaris;
2. op verzoek van de voorzitter van een erkende politieke groep of fractie, een functie uit te oefenen bij een erkende politieke groep van de wetgevende vergaderingen van de federale overheid, van de gemeenschappen en de gewesten of van de Europese Unie, bij de voorzitter van een dergelijke groep, of bij een erkende fractie van een gemeenteraad of een provincieraad;
3. een externe opdracht uit te voeren waarvan de gemeenteraad het algemeen belang erkent. Onder een dergelijke opdracht wordt in ieder geval verstaan de uitoefening van nationale en internationale opdrachten, aangeboden door een regering of een internationale instelling, en de internationale opdrachten in het raam van ontwikkelingssamenwerking, wetenschappelijk onderzoek of humanitaire hulp.
Artikel 8.7.1.1.2.
Onder externe opdracht conform artikel 8.7.1.1.1 punt 3 wordt onder meer bedoeld:
Artikel 8.7.1.1.3.
Het verlof wordt toegestaan als een gunstmaatregel voor zover de goede werking van de dienst daardoor niet in het gedrang komt.
Artikel 8.7.1.1.4.
Het verlof voor opdracht moet schriftelijk aangevraagd worden bij de algemeen directeur ten minste drie maanden voorafgaand aan de gevraagde verlofperiode.
Verlengingen moeten ook ten minste drie maanden vooraf aangevraagd worden.
De aanvraag vermeldt de begin- en einddatum en de reden voor de aanvraag van het verlof voor opdracht.
Het hoofd van het personeel of, bij delegatie, een ander personeelslid, beslist om de aanvraag te weigeren of goed te keuren.
Artikel 8.7.1.1.5.
Het verlof voor opdracht wordt toegekend voor maximum vijf jaar. Het verlof is onbezoldigd en wordt niet gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Artikel 8.7.1.1.6.
Het personeelslid behoudt het beoordelingsresultaat die hem werd toegekend bij zijn laatste beoordeling voor het begin van het verlof voor opdracht.
Artikel 8.7.1.1.7.
Het statutaire personeelslid kan het toegestane verlof voor opdracht te allen tijde opzeggen, mits eerbiediging van een termijn van minimum drie maanden tenzij de algemeen directeur een kortere termijn aanvaardt. Het hoofd van het personeel of, bij delegatie, een ander personeelslid, beslist om de opzegging te weigeren of goed te keuren.
Artikel 8.8.1.1.1.
Het personeelslid krijgt omstandigheidsverlof naar aanleiding van de volgende gebeurtenissen:
| 1. huwelijk van het personeelslid of het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door het personeelslid, vermeld in artikel 1475 tot en met 1479 van het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van het afleggen van een verklaring van samenwoning van bloed- of aanverwanten: |
4 werkdagen, op te nemen in de week voor of na het huwelijk of het afleggen van de verklaring van wettelijke samenwoning. Het verlof kan op verzoek van het personeelslid gespreid worden over het burgerlijk en kerkelijk huwelijk. Het omstandigheidsverlof kan voor dezelfde partner slechts toegekend worden voor wettelijke samenwoning of voor het huwelijk (het kan eventueel ook gespreid worden over beide gebeurtenissen).
|
| 2. bevalling van de echtgenote of samenwonende partner of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van het personeelslid, voor een geboorte vanaf 1 januari 2021: voor een geboorte vanaf 1 januari 2023:
|
15 werkdagen; 20 werkdagen, op te nemen binnen de 4 maanden volgend op de dag van de bevalling. Als de geboorte vanaf 1 januari 2021 plaatsvindt, heeft het statutaire personeelslid gedurende de eerste tien dagen recht op een doorbetaling van het salaris en gedurende de vijf resterende dagenrecht op een brutosalaris van 82 %. Om het salaris te bepalen, wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26 230 euro tegen 100 %; Als de geboorte vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt, heeft het statutaire personeelslid gedurende de eerste tien dagen recht op een doorbetaling van het salaris en gedurende de tien resterende dagenrecht op een brutosalaris van 82 %. Om het salaris te bepalen, wordt het brutosalaris op jaarbasis begrensd op 26 230 euro tegen 100 %. Bij het contractueel personeel wordt dit omstandigheidsverlof toegekend volgens de regels van het arbeidsrecht, in het bijzonder volgens de regeling, vermeld in artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten (3 dagen ten laste van de werkgever, de bijkomende dagen ten laste van de mutualiteit). Het omstandigheidsverlof kan op verzoek van het personeelslid gespreid worden over niet opeenvolgende werkdagen. |
| 2. bevalling van de echtgenote of samenwonende partner of ter gelegenheid van de geboorte van een kind dat wettelijk afstamt van het personeelslid: |
10 werkdagen, op te nemen binnen de 4 maanden volgend op de dag van de bevalling. Bij het contractueel personeel wordt dit omstandigheidsverlof toegekend volgens de regels van het arbeidsrecht, in het bijzonder volgens de regeling, vermeld in artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomsten (3 dagen ten laste van de werkgever, 7 dagen ten laste van de mutualiteit). Het omstandigheidsverlof kan op verzoek van het personeelslid gespreid worden over niet opeenvolgende werkdagen.
|
| 3. overlijden van de samenwonende of huwelijkspartner, een bloed- of aanverwant in de eerste graad van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner: |
4 werkdagen, die op verzoek van het personeelslid gespreid kunnen worden opgenomen bvb. op de dag van de begrafenis, om de nodige formaliteiten te vervullen bij de notaris, vrederechter, ….. |
| 4. huwelijk van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner: |
2 werkdagen, op te nemen in de week voor of na het huwelijk. Het verlof kan op verzoek van het personeelslid gespreid worden over het burgerlijk en kerkelijk huwelijk. |
| 5. overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in om het even welke graad, die onder hetzelfde dak woont als het personeelslid of de samenwonende partner: |
2 werkdagen, die op verzoek van het personeelslid gespreid kunnen worden opgenomen bvb. op de dag van de begrafenis, om de nodige formaliteiten te vervullen bij de notaris, vrederechter, ….. |
| 6. overlijden van een bloed- of aanverwant van het personeelslid of de samenwonende partner in de tweede graad, een overgrootouder of een achterkleinkind, niet onder hetzelfde dak wonend als het personeelslid of de samenwonende partner: |
1 werkdag, op te nemen in de week voor of na het overlijden. |
| 7. huwelijk van een bloed- of aanverwant:
|
de dag van het huwelijk |
| 8. priesterwijding of intrede in het klooster van een kind van het personeelslid, van de samenwonende of huwelijkspartner, of van een broer, zuster, schoonbroer of schoonzuster van het personeelslid:
|
de dag van de rooms-katholieke plechtigheid of een daarmee overeenstemmende plechtigheid bij een andere erkende eredienst |
| 9. plechtige communie van een kind van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner; deelneming van een kind van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner aan het feest van de vrijzinnige jeugd; deelneming van een kind van het personeelslid of van de samenwonende of huwelijkspartner aan een plechtigheid in het kader van een erkende eredienst die overeenstemt met de rooms-katholieke plechtige communie:
|
de dag van de plechtigheid, of, als dat een zondag, feestdag of inactiviteitsdag is, de eerstvolgende werkdag of de werkdag die de gebeurtenis onmiddellijk voorafgaat |
| 10. gehoord worden door de vrederechter in het kader van de organisatie van de voogdij over een minderjarige: |
de nodige tijd, maximaal één werkdag |
| 11. deelneming aan een assisenjury, oproeping als getuige voor de rechtbank of persoonlijke verschijning op aanmaning van de arbeidsrechtbank:
|
de nodige tijd |
Artikel 8.8.1.1.2.
Het omstandigheidsverlof is een recht, maar het personeelslid is niet verplicht die verloven geheel of gedeeltelijk op te nemen.
Artikel 8.8.1.1.3.
Het omstandigheidsverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Artikel 8.8.1.1.4.
Om gerechtigd te zijn op het omstandigheidsverlof moet het personeelslid de werkgever vooraf verwittigen; indien dit hem/haar niet mogelijk is, moet hij de werkgever zo spoedig mogelijk verwittigen. Het personeelslid is verplicht om een bewijsstuk ter verantwoording van het omstandigheidsverlof voor te leggen.
Artikel 8.8.1.1.5.
Het omstandigheidsverlof wordt enkel bezoldigd als het samenvalt met dagen waarop normaal gewerkt wordt. Het aantal werkdagen wordt omgezet in uren volgens de weekprestatie / 5 van het personeelslid.
Artikel 8.9.1.1.1.
Voor de personeelsleden is het opnemen van het ‘onbetaald verlof als gunst’ een recht:
Artikel 8.9.1.1.2.
Het onbetaald verlof gedurende twintig dagen per kalenderjaar, moet schriftelijk aangevraagd worden bij de algemeen directeur ten minste één maand voorafgaand aan de gevraagde verlofperiode
Het onbetaald verlof van maximum twee jaar gedurende de loopbaan moet schriftelijk aangevraagd worden bij de algemeen directeur ten minste drie maanden voorafgaand aan de gevraagde verlofperiode.
Verlengingen moeten ook ten minste drie maanden vooraf aangevraagd worden.
De algemeen directeur kan een kortere termijn aanvaarden.
De aanvraag vermeldt de begin- en einddatum, het soort verlof, de prestatieverhouding en een voorstel van nieuw uurrooster.
Het hoofd van het personeel of, bij delegatie, een ander personeelslid, beslist om de modaliteiten van de aanvraag te weigeren of goed te keuren.
Artikel 8.9.1.1.3.
Het personeelslid kan het onbetaald gunstverlof verlof te allen tijde opzeggen, mits eerbiediging van een termijn van minimum dertig dagen, tenzij de algemeen directeur een kortere termijn aanvaardt.
Artikel 8.9.1.1.4.
Het onbetaald verlof is onbezoldigd.
Artikel 8.9.1.1.5.
Voor een contractueel personeelslid wordt een onbetaald verlof beschouwd als een schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en niet als een wijziging van de lopende arbeidsovereenkomst.
Het onbetaald gunstverlof is niet gelijkgesteld met dienstactiviteit, tenzij het minder dan een maand bedraagt of deeltijds verlof betreft.
Verlof wegens arbeidsongeschiktheid, met uitzondering van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, maakt geen einde aan het toegekende onbetaald gunstverlof.
Als een feestdag op een dag onbetaald gunstverlof valt, wordt die feestdag niet vervangen.
Artikel 8.9.1.1.6.
Tijdens het opnemen van onbetaald verlof blijven de deontologische regels die op het personeelslid van toepassing zijn onverkort van kracht ook op het gebied van onverenigbaarheden.
Artikel 8.10.1.1.1.
Het personeelslid heeft het recht om tijdens de loopbaan twaalf maanden voltijds de loopbaan te onderbreken in periodes van minimaal een maand. Zodra het personeelslid 55 jaar is, verwerft het een bijkomend recht om twaalf maanden voltijds de loopbaan te onderbreken, te nemen in periodes van minimaal een maand.
Artikel 8.10.1.1.2.
Het personeelslid heeft het recht om tijdens de loopbaan gedurende zestig maanden de prestaties te verminderen tot 80 % of tot 50 % van een voltijdse betrekking. Dat deeltijdse onbetaalde verlof kan alleen genomen worden in periodes van minimaal drie maanden. Zodra het personeelslid 55 jaar is, heeft hij altijd het recht om de prestaties te verminderen tot 80 % of tot 50 % van een voltijdse betrekking.
Artikel 8.10.1.1.3.
Als een vast aangesteld statutair personeelslid binnen de diensten van het bestuur een contractuele betrekking, een mandaat, een tijdelijke aanstelling of een andere functie waaraan een proeftijd/inwerktijd verbonden is, opneemt, wordt ambtshalve onbetaald verlof toegestaan voor maximaal de duur van het mandaat, de tijdelijke aanstelling of de proeftijd/inwerktijd.
Artikel 8.10.1.1.4.
Het personeelslid richt zijn schriftelijke aanvraag ten minste drie maanden vooraf aan de algemeen directeur.
Verlengingen moeten ook ten minste drie maanden vooraf aangevraagd worden.
De algemeen directeur kan een kortere termijn aanvaarden.
De aanvraag vermeldt de begin- en einddatum, het soort verlof, de prestatieverhouding en een voorstel van nieuw uurrooster.
Het hoofd van het personeel of, bij delegatie, een ander personeelslid, beslist om de modaliteiten van de aanvraag te weigeren of goed te keuren.
Artikel 8.10.1.1.5.
Voor een contractueel personeelslid wordt dit verlof beschouwd als een schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en niet als een wijziging van de lopende arbeidsovereenkomst.
Artikel 8.10.1.1.6.
Het onbetaald verlof als recht wordt ambtshalve opgeschort zodra het personeelslid verlof krijgt in verband met een bevalling, adoptie of pleegvoogdij, of ouderschap.
Artikel 8.10.1.1.7.
Tijdens een periode van onbetaald verlof als recht behoudt het personeelslid zijn aanspraken op bevordering.
Bevordering tot een hogere graad maakt een einde aan het toegestane onbetaald verlof als recht.
Artikel 8.10.1.1. 8.
Het verlof is gelijkgesteld met dienstactiviteit.
Artikel 8.10.1.1.9.
Het verlof wegens arbeidsongeschiktheid, met uitzondering van de arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, maakt geen einde aan het toegekende onbetaald verlof.
Als een feestdag op een dag onbetaald verlof valt, wordt die feestdag niet vervangen.
Artikel 8.10.1.1.10.
Het personeelslid kan voor de toegestane verlofperiode verstreken is, het verlof opzeggen, mits eerbiediging van een termijn van minimum dertig dagen tenzij de algemeen directeur een kortere termijn aanvaardt.
Artikel 8.10.1.1.11.
Tijdens het opnemen van onbetaald verlof blijven de deontologische regels die op het personeelslid van toepassing zijn onverkort van kracht ook op het gebied van onverenigbaarheden.
Artikel 8.11.1.1.1.
§ 1. Met toepassing van artikel 99 tot en met artikel 107bis van de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen zijn de federale thematische verloven van loopbaanonderbreking van toepassing op het personeel.
Het gaat meer bepaald om:
1. ouderschapsverlof, waarvan de uitkeringen geregeld zijn in het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan;
2. medische bijstand, waarvan de uitkeringen geregeld zijn in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid;
3. palliatief verlof, waarvan de uitkeringen geregeld zijn in het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen;
4. mantelzorgverlof, waarvan de uitkeringen geregeld zijn in het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot invoering van een recht op loopbaanonderbreking voor bijstand of verzorging van een zwaar ziek gezins- of familielid.
§ 2. Het personeelslid dat een beroep wil doen op de in § 1 bedoelde federale thematische verloven van loopbaanonderbreking vraagt ouderschapsverlof en verlof voor mantelzorg minstens 3 maanden op voorhand aan. Een verlenging wordt op dezelfde manier aangevraagd. In bepaalde gevallen kan de algemeen directeur een kortere termijn toestaan op aanvraag van het personeelslid.
Voor palliatief verlof en medische bijstand gebeurt de aanvraag minstens zeven kalenderdagen voor de ingangsdatum van de schorsing of vermindering van de arbeidsprestaties, tenzij het hoofd van het personeel en het personeelslid schriftelijk of per mail een andere termijn overeenkomen. Een verlenging wordt op dezelfde manier aangevraagd.
De aanvraag vermeldt de begin- en einddatum, het soort verlof, de prestatieverhouding en een voorstel van nieuw uurrooster.
Het hoofd van het personeel of, bij delegatie, een ander personeelslid, beslist om de modaliteiten van de aanvraag te weigeren of goed te keuren.
Als het hoofd van het personeel zelf een beroep wil doen op de federale thematische verloven van loopbaanonderbreking beslist het college van burgemeester en schepenen.
Zijn uitgesloten van een volledige onderbreking of een onderbreking met één vijfde of de helft: de algemeen directeur en de financieel directeur.
Artikel 8.11.1.1.2.
De periodes van loopbaanonderbreking worden niet bezoldigd, maar worden voor het overige met dienstactiviteit gelijkgesteld.
Artikel 8.11.2.1.1.
Met toepassing van artikel 99 van de Herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985 is het Vlaamse zorgkrediet van toepassing op het personeel.
In het kader van het Vlaamse zorgkrediet, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 26 juli 2016 tot toekenning van onderbrekingsuitkeringen voor zorgkrediet, kan een onderbrekingsuitkering worden toegekend, bij het onderbreken van de arbeidsprestaties om:
1. voor een kind te zorgen tot en met de leeftijd van twaalf jaar;
2. bijstand of verzorging te verlenen aan een zwaar ziek gezins- of familielid;
3. palliatieve verzorging te verlenen;
4. zorg te dragen voor een kind met handicap;
5. een opleiding te volgen die voldoet aan bepaalde vereisten.
Artikel 8.11.2.1.2.
Het personeelslid dat een beroep wil doen op de in hierboven bedoelde verloven in het kader van het Vlaams zorgkrediet vraagt in de gevallen bedoeld in punt 1,4 en 5 het verlof minstens 3 maanden op voorhand aan. Een verlenging wordt op dezelfde manier aangevraagd. In bepaalde gevallen kan de algemeen directeur een kortere termijn toestaan op aanvraag van het personeelslid.
Voor de verloven bedoeld in punt 2 en 3 gebeurt de aanvraag minstens zeven kalenderdagen voor de ingangsdatum van de schorsing of vermindering van de arbeidsprestaties, tenzij het hoofd van het personeel en het personeelslid schriftelijk of per mail een andere termijn overeenkomen. Een verlenging wordt op dezelfde manier aangevraagd.
De aanvraag vermeldt de begin- en einddatum, het soort verlof, de prestatieverhouding en een voorstel van nieuw uurrooster.
Het hoofd van het personeel of, bij delegatie, een ander personeelslid, beslist om de modaliteiten van de aanvraag te weigeren of goed te keuren.
Artikel 8.11.2.1.3.
Zijn uitgesloten van een volledige onderbreking of een onderbreking met één vijfde of de helft: de algemeen directeur en de financieel directeur.
Artikel 8.11.2.1.4.
De periodes van onderbreking worden niet bezoldigd, maar worden voor het overige met dienstactiviteit gelijkgesteld.
Artikel 8.12.1.1.1.
Het politiek verlof wordt geregeld door het decreet van 14 maart 2003 houdende regeling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de provincies, gemeenten, de agglomeraties van gemeenten en openbare centra voor maatschappelijk welzijn, alsook de openbare instellingen publiekrechterlijke verenigingen die onder hun controle of toezicht vallen en latere wijzigingen.
Artikel 8.13.1.1.1.
Het vakbondsverlof wordt geregeld door de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden voor haar personeel en het koninklijk besluit van 28 september 1984 tot de uitvoering ervan, inclusief latere wijzigingen.
Artikel 8.14.1.1.1.
Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling:
Na het einde van de kiesverrichtingen legt het personeelslid een attest voor waarop zijn aanwezigheid wordt bevestigd.
Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling, op voorlegging van medische attest(en), voor het afstaan van:
Het personeelslid krijgt, maximaal tien keer per jaar, dienstvrijstelling op de dag waarop het bloed, plasma of bloedplaatjes geeft. De dienstvrijstelling geldt voor de tijd die nodig is voor de gift – beperkt tot 75 minuten voor bloedafname, 95 minuten voor afname van plasma en 145 minuten voor afname van bloedplaatjes – te verhogen met de tijd die naargelang het geval nodig is voor de verplaatsing naar en van het afnamecentrum. Voor personeelsleden met glijdende werkuren wordt enkel de stamtijd aangerekend als dienstvrijstelling.
Het vrouwelijke personeelslid krijgt dienstvrijstelling op voorlegging van een medisch attest voor borstvoeding op het werk a rato van de benodigde tijd, en voor prenatale onderzoeken tijdens de diensturen gedurende de zwangerschap. Bij prenatale onderzoeken vermeldt het medisch attest de duur van de consultatie evenals de aanvang. Het diensthoofd wordt vooraf verwittigd. Voor personeelsleden met glijdende werkuren wordt enkel de stamtijd aangerekend als dienstvrijstelling.
Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling voor de duur van medische onderzoeken die niet buiten de diensturen kunnen plaatshebben op voorlegging van een medisch attest. Het medisch attest vermeldt de duur van de consultatie, de aanvang ervan en de eventuele aanvullende onderzoeken. Het diensthoofd wordt vooraf verwittigd. Voor personeelsleden met glijdende werkuren wordt enkel de stamtijd aangerekend als dienstvrijstelling.
Het personeelslid krijgt dienstvrijstelling om mindervaliden en zieken onbezoldigd te vergezellen en bij te staan tijdens vakantiereizen en –verblijven in België of in het buitenland. Die reizen en verblijven moeten georganiseerd zijn door een openbare instelling of door een privaatrechtelijke vereniging of instelling met als opdracht de zorg voor mindervaliden of zieken op zich te nemen en die daarvoor door de overheid wordt gesubsidieerd. De duur van deze dienstvrijstelling bedraagt maximaal vijf werkdagen per kalenderjaar. De verlofaanvraag moet gestaafd worden met een attest waarbij de vereniging of instelling verklaart dat de vakantiereis of het vakantieverblijf onder haar verantwoordelijkheid staat.
Artikel 8.14.1.1.2.
Tijdens een dienstvrijstelling is een personeelslid tijdens de diensturen afwezig, met behoud van alle rechten. De afwezigheid wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.
Artikel 8.14.1.1.3.
Het aantal dagen dienstvrijstelling wordt omgezet in uren volgens de weekprestatie / 5 van het personeelslid.
Artikel 8.14.1.1.4.
Het personeelslid richt zijn vraag tot de algemeen directeur.
Artikel 8.15.1.1.1.
Het statutaire personeelslid, dat niet kan telewerken, ook niet in een andere gepaste functie, en waarvoor er geen oplossing gevonden kan worden door overuren of andere vormen van verlof op te nemen, krijgt quarantaineverlof in de hiernavolgende gevallen:
1. als een minderjarig kind dat met hem samenwoont ofwel niet naar zijn kinderdagverblijf, ofwel niet naar school kan gaan, omdat het kinderdagverblijf, de klas of de school waarvan het deel uitmaakt wordt gesloten als gevolg van een maatregel om de verspreiding van COVID-19 te beperken;
2. als het een gehandicapt kind ten laste heeft, ongeacht de leeftijd van dat kind, en dat kind niet naar een centrum voor opvang van gehandicapte personen kan gaan, omdat dat centrum wordt gesloten als gevolg van een maatregel om de verspreiding van COVID-19 te beperken;
3. als het een quarantainegetuigschrift voorlegt waardoor het personeelslid zich niet naar zijn werkplek kan begeven gedurende een bepaalde periode.
Het quarantaineverlof geldt voor de duur van de periode dat het kind niet terug kan gaan naar het kinderdagverblijf, de school of het centrum voor opvang van gehandicapte personen, of voor de duur van het quarantainegetuigschrift.
Artikel 8.15.1.1.2.
Om van dat recht gebruik te kunnen maken moet het personeelslid het bestuur onmiddellijk op de hoogte brengen:
Artikel 8.15.1.1.3.
Het quarantaineverlof wordt gelijkgesteld met dienstactiviteit en telt mee als werkelijke dienst, vermeld in artikel 114 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 en in artikel 80 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 november 2010.
Het quarantaineverlof wordt voor de berekening van de eindejaarstoelage gelijkgesteld met periodes waarvoor het personeelslid het salaris volledig heeft ontvangen zoals vermeld in artikel 136, derde lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007 en in artikel 99, derde lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 november 2010, op voorwaarde dat het personeelslid tijdens de referentieperiode titularis van een betrekking met volledige prestaties of onvolledige prestaties was.
Het quarantaineverlof telt mee als periode met recht op salaris die recht geeft op jaarlijkse vakantiedagen, vermeld in artikel 177, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 december 2007.
Artikel 8.15.1.1.4.
Het statutaire personeelslid heeft tijdens het quarantaineverlof, recht op een verloning die gelijk is aan 80 % van het brutosalaris, met een beperking van het brutosalaris op jaarbasis tot 21.000 euro tegen 100 %. Het brutosalaris wordt gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01. Het statutaire personeelslid in quarantaineverlof heeft geen recht op maaltijdcheques.
Artikel 8.15.1.1.5.
Het quarantaineverlof wordt toegekend door de algemeen directeur.
Artikel 8.15.1.1.6.
Voor het contractuele personeelslid zijn de bepalingen van de wet van 23 oktober 2020 tot het openstellen van tijdelijke werkloosheid overmacht corona voor werknemers in geval van sluiting van de school, opvang of centrum voor opvang voor personen met een handicap van hun kind, van toepassing.
Artikel 9.1.1.1.1.
Het personeelslid in dienst dat na 1 januari 1994 op grond van de vorige rechtspositieregeling zijn vroegere salarisschaal al dan niet aangevuld met een bepaalde toelage of bijslag heeft behouden, behoudt die salarisschaal en die toelage of bijslag, zolang die regeling gunstiger is dan de salarisschaal die het met toepassing van deze rechtspositieregeling zou hebben.
Artikel 9.1.1.1.2.
De algemeen directeur in dienst en de financieel directeur in dienst, die na een klasseverhoging met toepassing van artikel 29 van de nieuwe gemeentewet een hogere salarisschaal hebben gekregen, behouden die salarisschaal, vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van 9 september 1999 ten persoonlijke titel zolang die gunstiger is dan de salarisschaal die ze met toepassing van deze rechtspositieregeling zouden krijgen.
Artikel 9.1.1.1.3.
Het besluit van de gemeenteraad van 18 juni 1992 betreffende gemeentepersoneel: tussenkomst in de telefoonkosten blijft in overgangsmaatregel behouden.
De gemeenteraad beslist dat een deel van de kosten van de gevoerde gesprekken ten laste van het diensthoofd technische dienst valt. Dit aandeel wordt op ½ van de gevoerde zonale en interzonale gesprekken bepaald. De kosten van internationale gesprekken vallen volledig ten laste van het diensthoofd technische dienst.
Artikel 9.1.1.1.2.
Procedures van aanwerving, bevordering of personeelsmobiliteit die opgestart zijn voor de datum van inwerkingtreding van deze rechtspositieregeling, worden afgewerkt in overeenstemming met de regels die van toepassing waren op het ogenblik dat ze werden opgestart.
BIJLAGE I Uitgewerkte salarisschalen
| salarisschalen |
A1a |
A1b |
A2a |
A3a |
A4a |
A4b |
| minimum |
21.850 |
23.100 |
24.050 |
26.300 |
26.300 |
27.950 |
| maximum |
34.000 |
35.250 |
36.200 |
38.450 |
38.450 |
40.100 |
| verhoging |
2x1x750 |
1x1x700 |
3x1x750 |
3x1x750 |
3x1x750 |
3x1x750 |
|
|
1x1x700 |
2x1x750 |
2x3x1500 |
1x3x1450 |
1x3x1450 |
1x3x1500 |
|
|
3x3x1500 |
2x3x1500 |
1x3x1450 |
3x3x1500 |
3x3x1500 |
1x3x1450 |
|
|
1x3x1450 |
1x3x1450 |
2x3x1500 |
1x3x1450 |
1x3x1450 |
3x3x1500 |
|
|
1x3x1500 |
2x3x1500 |
1x3x1250 |
2x3x1250 |
2x3x1250 |
1x3x1200 |
|
|
2x3x1250 |
2x3x1250 |
1x3x1200 |
|
|
1x3x1250 |
|
|
|
|
|
|
|
|
| 0 |
21.850 |
23.100 |
24.050 |
26.300 |
26.300 |
27.950 |
| 1 |
22.600 |
23.800 |
24.800 |
27.050 |
27.050 |
28.700 |
| 2 |
23.350 |
24.550 |
25.550 |
27.800 |
27.800 |
29.450 |
| 3 |
24.050 |
25.300 |
26.300 |
28.550 |
28.550 |
30.200 |
| 4 |
24.050 |
25.300 |
26.300 |
28.550 |
28.550 |
30.200 |
| 5 |
24.050 |
25.300 |
26.300 |
28.550 |
28.550 |
30.200 |
| 6 |
25.550 |
26.800 |
27.800 |
30.000 |
30.000 |
31.700 |
| 7 |
25.550 |
26.800 |
27.800 |
30.000 |
30.000 |
31.700 |
| 8 |
25.550 |
26.800 |
27.800 |
30.000 |
30.000 |
31.700 |
| 9 |
27.050 |
28.300 |
29.300 |
31.500 |
31.500 |
33.150 |
| 10 |
27.050 |
28.300 |
29.300 |
31.500 |
31.500 |
33.150 |
| 11 |
27.050 |
28.300 |
29.300 |
31.500 |
31.500 |
33.150 |
| 12 |
28.550 |
29.750 |
30.750 |
33.000 |
33.000 |
34.650 |
| 13 |
28.550 |
29.750 |
30.750 |
33.000 |
33.000 |
34.650 |
| 14 |
28.550 |
29.750 |
30.750 |
33.000 |
33.000 |
34.650 |
| 15 |
30.000 |
31.250 |
32.250 |
34.500 |
34.500 |
36.150 |
| 16 |
30.000 |
31.250 |
32.250 |
34.500 |
34.500 |
36.150 |
| 17 |
30.000 |
31.250 |
32.250 |
34.500 |
34.500 |
36.150 |
| 18 |
31.500 |
32.750 |
33.750 |
35.950 |
35.950 |
37.650 |
| 19 |
31.500 |
32.750 |
33.750 |
35.950 |
35.950 |
37.650 |
| 20 |
31.500 |
32.750 |
33.750 |
35.950 |
35.950 |
37.650 |
| 21 |
32.750 |
34.000 |
35.000 |
37.200 |
37.200 |
38.850 |
| 22 |
32.750 |
34.000 |
35.000 |
37.200 |
37.200 |
38.850 |
| 23 |
32.750 |
34.000 |
35.000 |
37.200 |
37.200 |
38.850 |
| 24 |
34.000 |
35.250 |
36.200 |
38.450 |
38.450 |
40.100 |
Salarisschalen |
A5a |
A5b |
A6a |
A6b |
A7a |
A7b |
| Minimum |
28.400 |
29.900 |
25.550 |
27.050 |
28.550 |
31.500 |
| Maximum |
44.500 |
48.600 |
39.950 |
41.400 |
42.900 |
47.250 |
| Verhoging |
3x1x1000 |
1x1x1100 |
3x1x1000 |
2x1x1000 |
1x1x950 |
1x1x1100 |
|
|
1x3x1950 |
1x1x1150 |
1x3x1950 |
1x1x950 |
2x1x1000 |
1x1x1150 |
|
|
2x3x2000 |
1x1x1100 |
1x3x2000 |
2x3x2000 |
1x3x2000 |
1x1x1100 |
|
|
1x3x1950 |
1x3x2000 |
1x3x1500 |
1x3x1450 |
1x3x1950 |
1x3x2000 |
|
|
2x3x1750 |
1x3x1950 |
1x3x1450 |
3x3x1500 |
3x3x1500 |
1x3x1950 |
|
|
1x3x1700 |
2x3x2000 |
3x3x1500 |
1x3x1450 |
1x3x1450 |
2x3x2000 |
|
|
|
1x3x2450 |
|
|
1x3x1500 |
1x3x1950 |
|
|
|
1x3x2500 |
|
|
|
2x3x1250 |
|
|
|
1x3x2450 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| 0 |
28.400 |
29.900 |
25.550 |
27.050 |
28.550 |
31.500 |
| 1 |
29.400 |
31.000 |
26.550 |
28.050 |
29.500 |
32.600 |
| 2 |
30.400 |
32.150 |
27.550 |
29.050 |
30.500 |
33.750 |
| 3 |
31.400 |
33.250 |
28.550 |
30.000 |
31.500 |
34.850 |
| 4 |
31.400 |
33.250 |
28.550 |
30.000 |
31.500 |
34.850 |
| 5 |
31.400 |
33.250 |
28.550 |
30.000 |
31.500 |
34.850 |
| 6 |
33.350 |
35.250 |
30.500 |
32.000 |
33.500 |
36.850 |
| 7 |
33.350 |
35.250 |
30.500 |
32.000 |
33.500 |
36.850 |
| 8 |
33.350 |
35.250 |
30.500 |
32.000 |
33.500 |
36.850 |
| 9 |
35.350 |
37.200 |
32.500 |
34.000 |
35.450 |
38.800 |
| 10 |
35.350 |
37.200 |
32.500 |
34.000 |
35.450 |
38.800 |
| 11 |
35.350 |
37.200 |
32.500 |
34.000 |
35.450 |
38.800 |
| 12 |
37.350 |
39.200 |
34.000 |
35.450 |
36.950 |
40.800 |
| 13 |
37.350 |
39.200 |
34.000 |
35.450 |
36.950 |
40.800 |
| 14 |
37.350 |
39.200 |
34.000 |
35.450 |
36.950 |
40.800 |
| 15 |
39.300 |
41.200 |
35.450 |
36.950 |
38.450 |
42.800 |
| 16 |
39.300 |
41.200 |
35.450 |
36.950 |
38.450 |
42.800 |
| 17 |
39.300 |
41.200 |
35.450 |
36.950 |
38.450 |
42.800 |
| 18 |
41.050 |
43.650 |
36.950 |
38.450 |
39.950 |
44.750 |
| 19 |
41.050 |
43.650 |
36.950 |
38.450 |
39.950 |
44.750 |
| 20 |
41.050 |
43.650 |
36.950 |
38.450 |
39.950 |
44.750 |
| 21 |
42.800 |
46.150 |
38.450 |
39.950 |
41.400 |
46.000 |
| 22 |
42.800 |
46.150 |
38.450 |
39.950 |
41.400 |
46.000 |
| 23 |
42.800 |
46.150 |
38.450 |
39.950 |
41.400 |
46.000 |
| 24 |
44.500 |
48.600 |
39.950 |
41.400 |
42.900 |
47.250 |
Salarisschalen |
A8a |
A8b |
A9a |
A9b |
A10a |
A10b |
| Minimum |
30.250 |
31.500 |
35.950 |
38.100 |
37.200 |
44.650 |
| Maximum |
46.000 |
47.250 |
51.600 |
54.550 |
52.850 |
59.500 |
| Verhoging |
1x1x1150 |
1x1x1100 |
3x1x1000 |
3x1x1100 |
1x3x2500 |
1x3x1750 |
|
|
2x1x1100 |
1x1x1150 |
1x3x2000 |
2x3x2000 |
1x3x2200 |
1x3x1700 |
|
|
2x3x2000 |
1x1x1100 |
1x3x1950 |
1x3x1950 |
2x3x2250 |
2x3x1750 |
|
|
1x3x1950 |
1x3x2000 |
2x3x2000 |
2x3x2000 |
1x3x2200 |
1x3x1700 |
|
|
2x3x2000 |
1x3x1950 |
1x3x1950 |
1x3x1950 |
1x3x2250 |
1x3x1750 |
|
|
1x3x1200 |
2x3x2000 |
1x3x2000 |
1x3x1250 |
2x3x1000 |
1x3x2250 |
|
|
1x3x1250 |
1x3x1950 |
1x3x750 |
|
|
1x3x2200 |
|
|
|
2x3x1250 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| 0 |
30.250 |
31.500 |
35.950 |
38.100 |
37.200 |
44.650 |
| 1 |
31.400 |
32.600 |
36.950 |
39.200 |
37.200 |
44.650 |
| 2 |
32.500 |
33.750 |
37.950 |
40.300 |
37.200 |
44.650 |
| 3 |
33.600 |
34.850 |
38.950 |
41.400 |
39.700 |
46.400 |
| 4 |
33.600 |
34.850 |
38.950 |
41.400 |
39.700 |
46.400 |
| 5 |
33.600 |
34.850 |
38.950 |
41.400 |
39.700 |
46.400 |
| 6 |
35.600 |
36.850 |
40.950 |
43.400 |
41.900 |
48.100 |
| 7 |
35.600 |
36.850 |
40.950 |
43.400 |
41.900 |
48.100 |
| 8 |
35.600 |
36.850 |
40.950 |
43.400 |
41.900 |
48.100 |
| 9 |
37.600 |
38.800 |
42.900 |
45.400 |
44.150 |
49.850 |
| 10 |
37.600 |
38.800 |
42.900 |
45.400 |
44.150 |
49.850 |
| 11 |
37.600 |
38.800 |
42.900 |
45.400 |
44.150 |
49.850 |
| 12 |
39.550 |
40.800 |
44.900 |
47.350 |
46.400 |
51.600 |
| 13 |
39.550 |
40.800 |
44.900 |
47.350 |
46.400 |
51.600 |
| 14 |
39.550 |
40.800 |
44.900 |
47.350 |
46.400 |
51.600 |
| 15 |
41.550 |
42.800 |
46.900 |
49.350 |
48.600 |
53.300 |
| 16 |
41.550 |
42.800 |
46.900 |
49.350 |
48.600 |
53.300 |
| 17 |
41.550 |
42.800 |
46.900 |
49.350 |
48.600 |
53.300 |
| 18 |
43.550 |
44.750 |
48.850 |
51.350 |
50.850 |
55.050 |
| 19 |
43.550 |
44.750 |
48.850 |
51.350 |
50.850 |
55.050 |
| 20 |
43.550 |
44.750 |
48.850 |
51.350 |
50.850 |
55.050 |
| 21 |
44.750 |
46.000 |
50.850 |
53.300 |
51.850 |
57.300 |
| 22 |
44.750 |
46.000 |
50.850 |
53.300 |
51.850 |
57.300 |
| 23 |
44.750 |
46.000 |
50.850 |
53.300 |
51.850 |
57.300 |
| 24 |
46.000 |
47.250 |
51.600 |
54.550 |
52.850 |
59.500 |
salarisschalen |
B1 |
B2 |
B3 |
B4 |
B5 |
| Minimum |
17.300 |
18.850 |
19.550 |
19.950 |
21.400 |
| Maximum |
23.350 |
26.450 |
29.150 |
29.750 |
32.500 |
| Verhoging |
1x1x500 |
1x1x600 |
1x1x800 |
1x1x800 |
1x1x900 |
|
|
5x2x500 |
1x2x650 |
1x2x750 |
1x2x850 |
1x2x950 |
|
|
1x2x450 |
2x2x600 |
6x2x800 |
1x2x800 |
2x2x900 |
|
|
4x2x500 |
1x2x650 |
1x2x750 |
1x2x850 |
1x2x950 |
|
|
1x2x600 |
1x2x600 |
2x2x800 |
2x2x800 |
2x2x900 |
|
|
|
1x2x650 |
1x2x900 |
1x2x850 |
1x2x950 |
|
|
|
2x2x600 |
|
2x2x800 |
2x2x900 |
|
|
|
1x2x650 |
|
1x2x850 |
1x2x950 |
|
|
|
1x2x600 |
|
2x2x800 |
1x2x1000 |
|
|
|
1x2x800 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| 0 |
17.300 |
18.850 |
19.550 |
19.950 |
21.400 |
| 1 |
17.800 |
19.450 |
20.350 |
20.750 |
22.300 |
| 2 |
17.800 |
19.450 |
20.350 |
20.750 |
22.300 |
| 3 |
18.300 |
20.100 |
21.100 |
21.600 |
23.250 |
| 4 |
18.300 |
20.100 |
21.100 |
21.600 |
23.250 |
| 5 |
18.800 |
20.700 |
21.900 |
22.400 |
24.150 |
| 6 |
18.800 |
20.700 |
21.900 |
22.400 |
24.150 |
| 7 |
19.300 |
21.300 |
22.700 |
23.250 |
25.050 |
| 8 |
19.300 |
21.300 |
22.700 |
23.250 |
25.050 |
| 9 |
19.800 |
21.950 |
23.500 |
24.050 |
26.000 |
| 10 |
19.800 |
21.950 |
23.500 |
24.050 |
26.000 |
| 11 |
20.300 |
22.550 |
24.300 |
24.850 |
26.900 |
| 12 |
20.300 |
22.550 |
24.300 |
24.850 |
26.900 |
| 13 |
20.750 |
23.200 |
25.100 |
25.700 |
27.800 |
| 14 |
20.750 |
23.200 |
25.100 |
25.700 |
27.800 |
| 15 |
21.250 |
23.800 |
25.900 |
26.500 |
28.750 |
| 16 |
21.250 |
23.800 |
25.900 |
26.500 |
28.750 |
| 17 |
21.750 |
24.400 |
26.650 |
27.300 |
29.650 |
| 18 |
21.750 |
24.400 |
26.650 |
27.300 |
29.650 |
| 19 |
22.250 |
25.050 |
27.450 |
28.150 |
30.550 |
| 20 |
22.250 |
25.050 |
27.450 |
28.150 |
30.550 |
| 21 |
22.750 |
25.650 |
28.250 |
28.950 |
31.500 |
| 22 |
22.750 |
25.650 |
28.250 |
28.950 |
31.500 |
| 23 |
23.350 |
26.450 |
29.150 |
29.750 |
32.500 |
| salarisschalen |
C1 |
C2 |
C3 |
C4 |
C5 |
| Minimum |
13.550 |
14.250 |
15.900 |
18.550 |
20.400 |
| Maximum |
21.950 |
22.800 |
24.800 |
26.550 |
29.300 |
| Verhoging |
1x1x600 |
1x1x550 |
1x1x650 |
1x1x550 |
1x1x600 |
|
|
1x2x600 |
9x2x600 |
2x2x600 |
1x2x600 |
1x2x600 |
|
|
1x2x550 |
1x2x550 |
1x2x650 |
2x2x550 |
1x2x650 |
|
|
8x2x600 |
2x2x600 |
1x2x600 |
1x2x600 |
1x2x600 |
|
|
1x2x550 |
1x2x850 |
1x2x650 |
1x2x550 |
1x2x650 |
|
|
1x2x600 |
|
2x2x600 |
1x2x600 |
2x2x600 |
|
|
1x2x700 |
|
1x2x650 |
2x2x550 |
1x2x650 |
|
|
|
|
1x2x600 |
1x2x600 |
2x2x600 |
|
|
|
|
1x2x650 |
1x2x550 |
1x2x650 |
|
|
|
|
2x2x600 |
1x2x600 |
1x2x600 |
|
|
|
|
1x2x850 |
1x2x550 |
1x2x650 |
|
|
|
|
|
1x2x600 |
1x2x850 |
|
|
|
|
|
|
|
| 0 |
13.550 |
14.250 |
15.900 |
18.550 |
20.400 |
| 1 |
14.150 |
14.800 |
16.550 |
19.100 |
21.000 |
| 2 |
14.150 |
14.800 |
16.550 |
19.100 |
21.000 |
| 3 |
14.750 |
15.400 |
17.150 |
19.700 |
21.600 |
| 4 |
14.750 |
15.400 |
17.150 |
19.700 |
21.600 |
| 5 |
15.300 |
16.000 |
17.750 |
20.250 |
22.250 |
| 6 |
15.300 |
16.000 |
17.750 |
20.250 |
22.250 |
| 7 |
15.900 |
16.600 |
18.400 |
20.800 |
22.850 |
| 8 |
15.900 |
16.600 |
18.400 |
20.800 |
22.850 |
| 9 |
16.500 |
17.200 |
19.000 |
21.400 |
23.500 |
| 10 |
16.500 |
17.200 |
19.000 |
21.400 |
23.500 |
| 11 |
17.100 |
17.800 |
19.650 |
21.950 |
24.100 |
| 12 |
17.100 |
17.800 |
19.650 |
21.950 |
24.100 |
| 13 |
17.700 |
18.400 |
20.250 |
22.550 |
24.700 |
| 14 |
17.700 |
18.400 |
20.250 |
22.550 |
24.700 |
| 15 |
18.300 |
19.000 |
20.850 |
23.100 |
25.350 |
| 16 |
18.300 |
19.000 |
20.850 |
23.100 |
25.350 |
| 17 |
18.900 |
19.600 |
21.500 |
23.650 |
25.950 |
| 18 |
18.900 |
19.600 |
21.500 |
23.650 |
25.950 |
| 19 |
19.500 |
20.200 |
22.100 |
24.250 |
26.550 |
| 20 |
19.500 |
20.200 |
22.100 |
24.250 |
26.550 |
| 21 |
20.100 |
20.750 |
22.750 |
24.800 |
27.200 |
| 22 |
20.100 |
20.750 |
22.750 |
24.800 |
27.200 |
| 23 |
20.650 |
21.350 |
23.350 |
25.400 |
27.800 |
| 24 |
20.650 |
21.350 |
23.350 |
25.400 |
27.800 |
| 25 |
21.250 |
21.950 |
23.950 |
25.950 |
28.450 |
| 26 |
21.250 |
21.950 |
23.950 |
25.950 |
28.450 |
| 27 |
21.950 |
22.800 |
24.800 |
26.550 |
29.300 |
| salarisschalen |
D1 |
D2 |
D3 |
D4 |
D5 |
| Minimum |
13.300 |
14.300 |
15.500 |
16.900 |
17.000 |
| Maximum |
18.300 |
19.600 |
20.700 |
21.950 |
23.800 |
| Verhoging |
1x1x350 |
1x1x350 |
1x1x350 |
1x1x350 |
1x1x300 |
|
|
3x2x350 |
1x2x350 |
1x2x400 |
1x2x350 |
2x2x500 |
|
|
1x2x300 |
1x2x400 |
1x2x350 |
1x2x300 |
1x2x300 |
|
|
8x2x350 |
1x2x350 |
1x2x400 |
10x2x350 |
1x2x800 |
|
|
1x2x500 |
1x2x400 |
2x2x350 |
1x2x550 |
1x2x500 |
|
|
|
1x2x350 |
1x2x400 |
|
4x2x400 |
|
|
|
1x2x400 |
1x2x350 |
|
1x2x500 |
|
|
|
1x2x350 |
1x2x400 |
|
3x2x600 |
|
|
|
1x2x400 |
1x2x350 |
|
|
|
|
|
2x2x350 |
1x2x400 |
|
|
|
|
|
1x2x400 |
1x2x350 |
|
|
|
|
|
1x2x350 |
1x2x400 |
|
|
|
|
|
1x2x500 |
1x2x350 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| 0 |
13.300 |
14.300 |
15.500 |
16.900 |
17.000 |
| 1 |
13.650 |
14.650 |
15.850 |
17.250 |
17.300 |
| 2 |
13.650 |
14.650 |
15.850 |
17.250 |
17.300 |
| 3 |
14.000 |
15.000 |
16.250 |
17.600 |
17.800 |
| 4 |
14.000 |
15.000 |
16.250 |
17.600 |
17.800 |
| 5 |
14.350 |
15.400 |
16.600 |
17.900 |
18.300 |
| 6 |
14.350 |
15.400 |
16.600 |
17.900 |
18.300 |
| 7 |
14.700 |
15.750 |
17.000 |
18.250 |
18.600 |
| 8 |
14.700 |
15.750 |
17.000 |
18.250 |
18.600 |
| 9 |
15.000 |
16.150 |
17.350 |
18.600 |
19.400 |
| 10 |
15.000 |
16.150 |
17.350 |
18.600 |
19.400 |
| 11 |
15.350 |
16.500 |
17.700 |
18.950 |
19.900 |
| 12 |
15.350 |
16.500 |
17.700 |
18.950 |
19.900 |
| 13 |
15.700 |
16.900 |
18.100 |
19.300 |
20.300 |
| 14 |
15.700 |
16.900 |
18.100 |
19.300 |
20.300 |
| 15 |
16.050 |
17.250 |
18.450 |
19.650 |
20.700 |
| 16 |
16.050 |
17.250 |
18.450 |
19.650 |
20.700 |
| 17 |
16.400 |
17.650 |
18.850 |
20.000 |
21.100 |
| 18 |
16.400 |
17.650 |
18.850 |
20.000 |
21.100 |
| 19 |
16.750 |
18.000 |
19.200 |
20.350 |
21.500 |
| 20 |
16.750 |
18.000 |
19.200 |
20.350 |
21.500 |
| 21 |
17.100 |
18.350 |
19.600 |
20.700 |
22.000 |
| 22 |
17.100 |
18.350 |
19.600 |
20.700 |
22.000 |
| 23 |
17.450 |
18.750 |
19.950 |
21.050 |
22.600 |
| 24 |
17.450 |
18.750 |
19.950 |
21.050 |
22.600 |
| 25 |
17.800 |
19.100 |
20.350 |
21.400 |
23.200 |
| 26 |
17.800 |
19.100 |
20.350 |
21.400 |
23.200 |
| 27 |
18.300 |
19.600 |
20.700 |
21.950 |
23.800 |
| salarisschalen |
E1 |
E2 |
E3 |
| Minimum |
13.250 |
13.550 |
14.200 |
| Maximum |
15.000 |
15.650 |
16.550 |
| Verhoging |
1x1x100 |
1x1x150 |
1x1x150 |
|
|
3x2x100 |
7x2x150 |
12x2x150 |
|
|
1x2x150 |
1x2x100 |
1x2x400 |
|
|
3x2x100 |
4x2x150 |
|
|
|
6x2x150 |
1x2x200 |
|
|
|
|
|
|
| 0 |
13.250 |
13.550 |
14.200 |
| 1 |
13.350 |
13.700 |
14.350 |
| 2 |
13.350 |
13.700 |
14.350 |
| 3 |
13.450 |
13.850 |
14.500 |
| 4 |
13.450 |
13.850 |
14.500 |
| 5 |
13.550 |
14.000 |
14.650 |
| 6 |
13.550 |
14.000 |
14.650 |
| 7 |
13.650 |
14.150 |
14.800 |
| 8 |
13.650 |
14.150 |
14.800 |
| 9 |
13.800 |
14.300 |
14.950 |
| 10 |
13.800 |
14.300 |
14.950 |
| 11 |
13.900 |
14.450 |
15.100 |
| 12 |
13.900 |
14.450 |
15.100 |
| 13 |
14.000 |
14.600 |
15.250 |
| 14 |
14.000 |
14.600 |
15.250 |
| 15 |
14.100 |
14.750 |
15.400 |
| 16 |
14.100 |
14.750 |
15.400 |
| 17 |
14.250 |
14.850 |
15.550 |
| 18 |
14.250 |
14.850 |
15.550 |
| 19 |
14.400 |
15.000 |
15.700 |
| 20 |
14.400 |
15.000 |
15.700 |
| 21 |
14.550 |
15.150 |
15.850 |
| 22 |
14.550 |
15.150 |
15.850 |
| 23 |
14.700 |
15.300 |
16.000 |
| 24 |
14.700 |
15.300 |
16.000 |
| 25 |
14.850 |
15.450 |
16.150 |
| 26 |
14.850 |
15.450 |
16.150 |
| 27 |
15.000 |
15.650 |
16.550 |
BIJLAGE II Weddenschalen algemeen directeur en financieel directeur
| salarisschalen |
Algemeen directeur |
Financieel directeur |
| Minimum |
39294,07 |
37016,16 |
| Maximum |
58036,33 |
54671,9 |
| Verhoging |
1X1X2342,78 |
1X1X2206,97 |
| 7X2X2342,78 |
1X2X2206,97 |
|
| 1X2X2206,97 |
||
| 3X2X2206,97 |
||
| 1X2X2206,97 |
||
| 1X2X2206,97 |
||
|
|
||
| 0 |
39.294,07 |
37.016,16 |
| 1 |
41.636,86 |
39.223,13 |
| 2 |
41.636,86 |
39.223,13 |
| 3 |
43.979,64 |
41.430,10 |
| 4 |
43.979,64 |
41.430,10 |
| 5 |
46.322,42 |
43.637,06 |
| 6 |
46.322,42 |
43.637,06 |
| 7 |
48.665,20 |
45.844,03 |
| 8 |
48.665,20 |
45.844,03 |
| 9 |
51.007,98 |
48.051,00 |
| 10 |
51.007,98 |
48.051,00 |
| 11 |
53.350,77 |
50.257,97 |
| 12 |
53.350,77 |
50.257,97 |
| 13 |
55.693,55 |
52.464,93 |
| 14 |
55.693,55 |
52.464,93 |
| 15 |
58.036,33 |
54.671,90 |
BIJLAGE III Aanvullende aanwervingsvoorwaarden
1. De aanstellende overheid beslist bij de openverklaring van de functie of een personeelslid houder moet zijn van een rijbewijs B of dit behalen voor de statutairen tijdens de proefperiode of voor de contractuelen binnen de tien maanden na indiensttreding.
2. Deskundige groen en milieu
3. Omgevingsambtenaar
4. Coördinator buitenschoolse kinderopvang
5. Begeleid(st)er buitenschoolse kinderopvang
Artikel 2
Het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 16 december 2020 betreffende rechtspositieregeling voor het personeel van de gemeente: vaststellen, het laatst gewijzigd bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van 29 september 2021 betreffende rechtspositieregeling voor het personeel van de gemeente: wijzigen, wordt opgeheven.
Artikel 3
Dit besluit is van toepassing vanaf 1 januari 2022.